Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 10 oktober 2026
Enquêteverzoeken tegen Philips afgewezen: concernleiding en interne systemen na terugroepactie
- Enquêterecht
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Beleggers verzochten een enquête naar het beleid van de topholding van een medtech-concern, na een wereldwijde terugroepactie van apparaten van een Amerikaanse dochter. De OK stelt hoge zorgvuldigheidseisen aan de concernleiding, maar oordeelt dat onvoldoende concreet is gemaakt dat de interne systemen tekortschoten of dat te laat is ingegrepen. De enquêteverzoeken worden afgewezen.
Kernoverwegingen
“Indien, zoals hier, sprake is van een concern, strekt de bestuurstaak van het bestuur van de topholding als leiding van het concern zich mede uit tot de daartoe behorende ondernemingen (ECLI:NL:HR:1990:AC1234-Ogem, rov. 9.2). De concrete inhoud en de reikwijdte van die concernleidingsplicht is steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Welke eisen moeten worden gesteld aan de concernleiding is in algemene termen beantwoord in de opeenvolgende versies van de Nederlandse Corporate Governance Code en is (logischerwijs) casuïstisch beantwoord in de rechtspraak. Daaruit valt met betrekking tot de bestuurstaak van KPNV als concernleider het volgende af te leiden. De concernleiding dient een adequate concerninrichting te implementeren, die past bij de aard en de risico’s van de onderneming(en) in kwestie. Zij dient daartoe geëigende interne systemen (zoals haar governance en management- en vergaderstructuren, informatiesystemen en haar interne audit en risico- en kwaliteitsbeheersystemen, hierna omwille van de leesbaarheid gezamenlijk “de interne systemen” genoemd) te ontwikkelen, te implementeren en te handhaven en daarover verantwoording af te leggen (Nederlandse Corporate Governance Code, principe 1.2 – 1.4). De interne systemen dienen de concernleiding voldoende in staat te stellen toezicht op haar dochterondernemingen uit te oefenen (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2005:AR8831-Ahold) en moeten verder zodanig zijn ingericht dat de concernleiding op de hoogte is van relevante […]”
r.o. 5.2
“De in de vorige rechtsoverweging genoemde eisen kunnen in het bijzonder worden gesteld aan de interne systemen van het Philips-concern vanwege de specifieke aard van haar ondernemingsactiviteiten, te weten health technology. Bij de productie en distributie van medische apparatuur en medische hulpmiddelen, waarbij gebreken in de producten tot gezondheidsrisico’s kunnen leiden, moet een hoge mate van zorgvuldigheid worden betracht. Die hoge zorgvuldigheid geldt in de eerste plaats voor de (vestiging van de) onderneming op de locatie waar deze activiteiten plaatsvinden en wordt op dat niveau mede gewaarborgd door het aldaar op de onderneming uitgeoefende externe toezicht. Wanneer die onderneming deel uitmaakt van een concern mogen naar het oordeel van de Ondernemingskamer ook hoge zorgvuldigheidseisen worden gesteld aan de inrichting van het concern, opdat op concernniveau is gewaarborgd dat wordt voldaan aan de regelgeving in de jurisdicties waar het product wordt vervaardigd en op de markt wordt gebracht. Gezondheidsrisico’s kunnen naar hun aard immers een zodanig grote impact hebben op een onderneming (niet alleen in financiële en juridische zin maar ook op de reputatie van een onderneming) dat daardoor ook het concernbelang wordt geraakt. Dat geldt temeer wanneer, zoals in dit geval, de aandelen in de concernleider ter beurze zijn genoteerd. De interne systemen dienen in het geval van KPNV dan ook te borgen dat de concernleiding die concernbelangen adequaat kan dienen. In […]”
r.o. 5.3
“Bij die beoordeling moet worden gewaakt voor het gevaar van hindsight bias, oftewel de neiging om de voorspelbaarheid van gebeurtenissen in het verleden te overschatten. Wanneer de uitkomst van een reeks gebeurtenissen bekend is, lijkt deze uitkomst immers waarschijnlijker, noodzakelijker of onvermijdelijker dan voordat de uitkomst bekend was. De beoordeling door de Ondernemingskamer moet daarom plaatsvinden tegen de achtergrond van de feitelijke situatie zoals die zich voorafgaand aan de terugroepactie bij Philips heeft voorgedaan en in de context van de feiten en omstandigheden die op dat moment bekend waren of hadden kunnen zijn. Het is daarbij aan verzoekers om voldoende concrete feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit kan volgen (i) dat, waarom en op welke specifieke punten de interne systemen van het Philips-concern niet voldeden aan de destijds daaraan te stellen eisen, (ii) over welke specifieke informatie KPNV met betrekking tot Respironics en/of de apparaten op welk moment had kunnen of moeten beschikken en (iii) dat, waarom en op welke specifieke punten KPNV heeft nagelaten tijdig en effectief in te grijpen bij Respironics. De herhaalde stellingname van verzoekers die erop neerkomt dat indien er geen redenen zouden zijn om te twijfelen aan de werking van de interne systemen van het Philips-concern, ervan moet worden uitgegaan dat de concernleiding steeds volledig op de hoogte was van de situatie bij Respironics en dat zij dus onvoldoende en te laat heeft […]”
r.o. 5.6