Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 11 februari 2026
OK wijst enquêteverzoek af in conflict tussen aandeelhouders-bestuurders apothekersgroep
- Enquêterecht
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Aandeelhouders van een apothekersgroep verzoeken de OK een enquête te bevelen, omdat de medebestuurders oncollegiaal zouden handelen en een tegenstrijdig belang zouden hebben bij de overname van aandelen. De OK toetst aan het vennootschapsbelang, de zorgvuldigheidsplicht en het tegenstrijdig belang van bestuurders. Zij ziet in de aangevoerde punten, ook in samenhang, geen gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid. Het geschil draait in de kern om de aandelenprijs en hoort bij de civiele rechter; de verzoeken worden afgewezen.
Kernoverwegingen
“Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (artikel 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad.”
r.o. 4.6
“Ten tweede zijn [aandeelhouder A] c.s. van mening dat het gedrag van [aandeelhouder C] c.s. tijdens de bestuursvergaderingen op 28 januari 2025 en 12 februari 2025 illustratief is voor hun oncollegiale houding. Uit de door [aandeelhouder A] c.s. overgelegde transcripten en audiobestanden van deze vergaderingen volgt een beeld waarin partijen stevig met elkaar discussiëren, elkaar in de rede vallen, kortaf op elkaar reageren en geïrriteerd raken. Er ontstond een gespannen sfeer waarbij [indirect aandeelhouder D] op enkele momenten een onnodig minachtende toon aanslaat richting met name [indirect aandeelhouder B] (productie 36(i) van [aandeelhouder A] c.s. minuut 4:45 tot en met 5:35 en 36(ii) minuut 2:00 tot en met 4:30). In de context van de diverse discussies en juridische procedures die partijen op dat moment hadden, is te verwachten dat de onderlinge relaties verharden. De stevige discussies en gespannen sfeer maken alleen niet dat de belangen van ZLH of van [aandeelhouder A] c.s. door het handelen van [aandeelhouder C] c.s. onnodig of onevenredig zijn geschaad. Het gedrag van [aandeelhouder C] c.s. is wellicht als minder prettig ervaren, maar dat levert nog geen strijd op met de zorgvuldigheidsnormen zoals bedoeld in artikel 2:8 BW.”
r.o. 4.8
“Een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:239 lid 6 BW doet zich voor indien een bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, Bruil). De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval.”
r.o. 4.14