Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 23 februari 2026
Enquêteverzoek niet-ontvankelijk: beneficial owners geen aandeelhouder of daarmee gelijkgesteld
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Twee voormalig aandeelhouders en bestuurders verzoeken de OK om een enquête bij twee vennootschappen, onder verwijzing naar hun positie als uiteindelijk belanghebbenden (beneficial owners). De OK oordeelt dat de gestelde nietigheid van de aandelenoverdracht uit 2007 onvoldoende is onderbouwd en dat zij niet kunnen worden gelijkgesteld met aandeelhouders of certificaathouders voor de toepassing van artikel 2:346 BW. Zij worden niet-ontvankelijk verklaard.
Kernoverwegingen
“De Ondernemingskamer is van oordeel dat [voormalig aandeelhouder 1 in Quaninvest] en [voormalig aandeelhouder 2 in Quaninvest] het standpunt dat de overdracht van de aandelen in 2007 door haar strekking in strijd is met de goede zeden, als bedoeld in artikel 3:40 lid 1 BW onvoldoende concreet hebben onderbouwd. Daarbij is van belang dat de overdracht van de aandelen aan Polaris in 2007 op zichzelf genomen niet strijdig was of is met de goede zeden. [voormalig aandeelhouder 1 in Quaninvest] en [voormalig aandeelhouder 2 in Quaninvest] hebben zich nadien zelf ook steeds op het standpunt gesteld dat deze overdracht rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en, in het verlengde daarvan, tegenover de Belastingdienst volgehouden dat [voormalig aandeelhouder 2 in Quaninvest] geen aandeelhouder van Quaninvest was. Verder is van belang dat [voormalig aandeelhouder 1 in Quaninvest] en [voormalig aandeelhouder 2 in Quaninvest] naar eigen zeggen in 2007 hebben vertrouwd op de adviezen van hun fiscale adviseurs en dat zij meenden dat de voorgestelde constructie een legale manier was om de belastingheffing te verminderen. Onder deze omstandigheden kan de Ondernemingskamer op basis van hetgeen [voormalig aandeelhouder 1 in Quaninvest] en [voormalig aandeelhouder 2 in Quaninvest] daartoe hebben aangedragen niet met voldoende zekerheid vaststellen dat [voormalig aandeelhouder 2 in Quaninvest] en Polaris bij de overdracht van de aandelen in 2007 de bedoeling hadden of er zich van bewust waren, dat […]”
r.o. 3.4
“Volgens vaste rechtspraak (vgl. ECLI:NL:HR:2014:905 (Slotervaartziekenhuis) rov. 5.2.2) brengt de strekking van het enquêterecht mee dat de verschaffer van risicodragend kapitaal die een eigen economisch belang heeft in de vennootschap waarop het verzoek betrekking heeft dat op een lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder, voor de toepassing van art. 2:346, lid 1, aanhef en sub b, BW, dient te worden gelijkgesteld met een aandeelhouder of certificaathouder. Of voor een dergelijke gelijkstelling aanleiding bestaat, is afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. De Ondernemingskamer dient derhalve alle relevante feiten en omstandigheden te betrekken in haar oordeelsvorming ten aanzien van die mogelijke gelijkstelling.”
r.o. 3.6
“Naar het oordeel van de Ondernemingskamer zijn [voormalig aandeelhouder 2 in Quaninvest] en [voormalig aandeelhouder 1 in Quaninvest] er niet in geslaagd om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit volgt dat zij voor de toepassing van artikel 2:346 lid 1, aanhef en sub b, BW gelijk zijn te stellen aan een houder van (certificaten van) aandelen in de Vennootschappen als hiervoor bedoeld. Met name is onduidelijk gebleven welke vermogensrechtelijke aanspraken – al dan niet jegens een of meer derden – zij hebben op grond van de door hen gestelde uiteindelijke gerechtigdheid tot de aandelen in Quaninvest en daarmee tot eventuele dividenduitkeringen van de Vennootschappen.”
r.o. 3.9