Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 24 maart 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid: voortzetten verlieslatende onderneming geen kennelijk onbehoorlijk bestuur; vorderingen curator afgewezen
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een curator sprak de enig bestuurder van een failliete bv aan voor het faillissementstekort op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur (artikel 2:248 BW) en subsidiair onbehoorlijke taakvervulling (artikel 2:9 BW). Het hof vernietigt het toewijzende vonnis. Het voortzetten van de verlieslatende onderneming is geen kennelijk onbehoorlijk bestuur, mede omdat de bestuurder maatregelen nam en de onderneming voldoende waard leek, en een belangrijke oorzaak van het faillissement in de referteperiode is niet aannemelijk. Ook de overige verwijten en onrechtmatige daad falen.
Kernoverwegingen
“Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het voortzetten van de onderneming van [naam1] geen kennelijk onbehoorlijk bestuur van [de bestuurder] oplevert. Daarbij komt dat het voorzetten van de onderneming gedurende de referteperiode geen belangrijke oorzaak is van het faillissement.”
r.o. 3.21
“In deze omstandigheden levert het voortzetten van de onderneming door [de bestuurder] geen kennelijk onbehoorlijk bestuur op. Voorop staat dat het Nederlandse recht in beginsel geen verplichting kent voor een bestuurder tot het beëindigen van een onderneming of het aanvragen van het faillissement van de vennootschap indien de onderneming (langdurig) verlies maakt. Het bestaan van (grote, oplopende) schulden maakt op zichzelf evenmin dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Wel kan het staken van de onderneming of het aanvragen van faillissement op een gegeven moment de enige feitelijk begaanbare route zijn, bijvoorbeeld omdat de bestuurder anders namens de vennootschap verplichtingen aangaat die de vennootschap niet kan nakomen. Zo’n situatie was hier echter niet aan de orde. [de bestuurder] heeft de onderneming bovendien niet ongewijzigd voortgezet, maar maatregelen genomen om het tij te keren. Gelet op de financiële situatie van [naam1] (de oplopende schuld aan verhuurder [eerste verhuurder] ) kwamen de maatregelen die [de bestuurder] vanaf eind 2018 nam wellicht aan de late kant. Dat valt echter binnen de vrijheid die aan een bestuurder als ondernemer gelaten moet worden. Zij nam die maatregelen wel; en niet (voldoende) weersproken is dat die maatregelen aanvankelijk, vóór de Covid-19-crisis, ook tot resultaat leidden. Daarbij komt overigens nog dat [de bestuurder] ervan kon uitgaan dat de onderneming voldoende waard was om de crediteuren te voldoen.”
r.o. 3.25
“Het voortzetten van de verlieslatende onderneming gedurende de referteperiode kan, als het al kennelijk onbehoorlijk bestuur zou opleveren, bovendien niet worden aangemerkt als een belangrijke oorzaak van het faillissement. De referteperiode begint in december 2017. De curator heeft aangevoerd dat de onderneming al jaren voor Covid-19 toesloeg technisch failliet was (waarbij hij wijst op de jaarrekeningen) en al sinds 2017 in zwaar weer verkeerde. Naar het hof aanneemt, doelt de curator op de cijfers over 2017 tot en met 2019 die hij in de dagvaarding heeft opgenomen en op het negatief eigen vermogen en negatief netto werkkapitaal over die jaren. Wat er ook zij van het bestuur gedurende de referteperiode, uitgaande van deze penibele stand van de financiële zaken al aan het begin van de referteperiode, is, minst genomen, niet aannemelijk geworden dat dit bestuur gedurende de referteperiode een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het voorafgaand aan de referteperiode gevoerde bestuur is verder voor de beoordeling van de vordering niet relevant en ook niet door de curator aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd.”
r.o. 3.26