← Week 17

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 14 april 2026

Verdeling nalatenschap; vof-schulden na ontbinding door overlijden vennoot niet voor rekening nalatenschap

  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

In een zaak over de verdeling van een nalatenschap oordeelt het hof dat een vennootschap onder firma door het overlijden van een vennoot is ontbonden. Schulden uit de door de overlevende vennoot voortgezette onderneming komen voor zijn rekening en niet voor rekening van de nalatenschap. Een afspraak over vergoeding van het aandeel in de vofschulden was gekoppeld aan het bestaan van de vof en is met het overlijden vervallen.

Kernoverwegingen

“Erflater heeft namens de VOF [onderneming1] waarvan erflater en [naam2] de vennoten waren een overeenkomst gesloten met [naam9] ( [naam9] ), die handelt onder de naam [onderneming2] . Die overeenkomst houdt in dat [naam9] werkzaamheden verricht voor de VOF en daarvoor een vergoeding krijgt van € 1.450 per maand. De onderneming van de VOF is na het overlijden van erflater op 5 juni 2014 voortgezet door [naam2] . Op vordering van [naam9] heeft de rechtbank Gelderland (vonnis van 24 juni 2015) [naam2] veroordeeld aan [naam9] een bedrag te betalen van € 8.772,50. Dat bedrag betreft de betaling van de facturen van [naam9] voor de maanden juni tot en met oktober 2014. De rechtbank heeft [naam2] verder veroordeeld aan [naam9] te vergoeden buitengerechtelijke incassokosten van € 813,63 en de proceskosten van € 1.731,77. Die bedragen vermeerderd met de wettelijke rente komen op € 11.970,04., waarvan [naam2] de helft vordert van de nalatenschap. Dit bedrag betreft schulden die [naam2] heeft gemaakt in zijn eenmanszaak na de ontbinding van de VOF door het overlijden van erflater. Dat betekent dat deze bedragen voor rekening komen van [naam2] op wie als voortzetter de goederen en schulden/verplichtingen van de VOF zijn overgegaan; zij komen in elk geval niet meer voor rekening van de VOF, die is ontbonden en geliquideerd en komt aldus ook niet meer voor rekening van erflater.”

r.o. 3.38

“Is er dan nog een andere grond te vinden voor een verplichting van de nalatenschap om de helft van dit bedrag aan [naam2] te betalen? [naam2] stelt dat dit het geval is en wijst op een schriftelijke verklaring van erflater waarin staat:

“ [onderneming2] zal voor haar werkzaamheden maandelijks € 1.450,- excl. btw ontvangen, hetgeen gefactureerd wordt aan [onderneming1] VOF. Van deze betalingen zal het aandeel van [naam2] (50%) door [erflater] (hof: erflater) worden vergoed.”

Volgens [naam2] is deze afspraak na het overlijden van erflater doorgelopen en kan hij daarop een beroep doen tegenover de nalatenschap. Het hof gaat aan die stelling voorbij. Niet valt in te zien dat deze afspraak die erflater en [naam2] hebben gemaakt in verband met de VOF die tussen hen bestond ook ziet op de periode na het overlijden van erflater en de ontbinding van de VOF en voortzetting van de onderneming van de VOF door [naam2] . In de schriftelijke verklaring van erflater waarop [naam2] zich beroept is sprake van ‘het aandeel van [naam2] (50%)’. Daarmee is de afspraak kennelijk gekoppeld aan het bestaan van de VOF. De verplichting in de schriftelijke verklaring is met de dood van erflater teniet gegaan, zodat de erfgenamen niet van rechtswege schuldenaar zijn geworden van deze schuld (artikel 4:182 lid 2 BW). Uit de overeenkomst van erflater met [naam2] over de vergoeding door erflater van het aandeel van [naam2] in de schulden aan [naam9] vloeit kennelijk voort dat de rechtsgevolgen daarvan […]”

r.o. 3.39

“Het is om deze reden dat grief XXIV van [naam1] slaagt. Daarom kan in het midden blijven of de schriftelijke verklaring wel door erflater zelf is ondertekend en of de rechtsvordering van [naam2] tot betaling van € 5.985,02 is verjaard. De slotsom is dat tot de nalatenschap van erflater – anders dan de rechtbank heeft vastgesteld – geen schuld aan [naam2] van € 5.985,02 behoort.

Het incidenteel hoger beroep van de bijzondere curator

Grief 1: Afwikkeling onroerende zaken in Spanje”

r.o. 3.40

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:2228
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
14 april 2026
Datum publicatie
21 april 2026
Spoor
Personenvennootschappen
Wetsartikelen
4:182 BW, 6:249 BW
Thema
Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 17 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.