Gerechtshof Den Haag · 15 september 2026
Terugbetaling lening; geen ernstig verwijt aan indirect bestuurder van de debiteur
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een schuldeiser vorderde terugbetaling van een geldlening van een vennootschap en persoonlijke aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van de indirect bestuurder. Het hof wijst de lening volledig toe, maar wijst de bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 6:162 BW, rechtstreeks of via artikel 2:11 BW) af, omdat niet is gebleken dat de bestuurder wist of behoorde te weten dat de vennootschap niet kon nakomen. Er is daarom geen sprake van een ernstig verwijt.
Kernoverwegingen
“Aangezien Estate of the Art in staat van faillissement verkeert, is de procedure ten aanzien van haar van rechtswege geschorst op grond van art. 29 Faillissementswet. Hierna wordt daarom alleen de vordering van VDP tegen [geïntimeerde] beoordeeld. [geïntimeerde] is de enige bestuurder van Estate of the Art. Het handelen van Estate of the Art valt daarom noodzakelijkerwijs samen met het handelen van [geïntimeerde] . Indien [geïntimeerde] van het handelen van Estate of the Art een ernstig verwijt kan worden gemaakt, kan [geïntimeerde] op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk gehouden worden, rechtstreeks of op de voet van art. 2:11 BW.”
r.o. 6.22
“Het hof volgt VDP niet in haar betoog dat [geïntimeerde] de overeenkomst is aangegaan, terwijl hij wist of behoorde te weten dat OCP niet zou kunnen nakomen. OCP c.s. heeft gemotiveerd toegelicht dat zij in september 2020 vooruitzicht op projecten had en het vertrouwen had dat het zou lukken om ook nog verdere projecten te vinden. Op dat moment liep immers een project in Dubai, waar [geïntimeerde] de CFO van Midwich van op de hoogte heeft gehouden. [geïntimeerde] heeft als indirect bestuurder voor OCP de overeenkomst getekend in de veronderstelling dat vervangend werk zou worden gevonden. Dat die veronderstelling niet zonder grond was, blijkt ook uit de eerste termijnbetaling van € 102.952,27 die OCP aan VDP heeft gedaan. Die betaling wijst erop dat OCP ten tijde van het sluiten van de overeenkomst vooruitzicht had op middelen. Naar het oordeel van het hof heeft VDP deze omstandigheden onvoldoende gemotiveerd weersproken.”
r.o. 6.24
“Daar komt bij dat VDP de financiële situatie van OCP min of meer kende. VDP wist dat OCP aanloopkosten had gemaakt voor de projecten en niet beschikte over eigen gelden. Die gelden had ze nu juist aangetrokken van VDP. Ook wist, althans behoorde VDP te begrijpen dat OCP VDP enkel zou kunnen terugbetalen als zij definitieve opdrachten binnenhaalde. Verder is niet gebleken dat OCP ten tijde van het sluiten van de overeenkomst de indruk heeft gewekt bij VDP dat de uitstaande projecten al hadden geleid tot definitieve opdrachten of zonder meer tot definitieve opdrachten zouden leiden. VDP had in zekere zin net als OCP kunnen concluderen dat er weliswaar een mogelijk vooruitzicht bestond op definitieve opdrachten, maar ook dat geen van die vooruitzichten daadwerkelijk vaststonden.”
r.o. 6.25