Gerechtshof Den Haag · 13 oktober 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW bij ruzie tussen bestuurders; geen disculpatie
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
De curator in het faillissement van een bv sprak de twee bestuurders (broers) en hun houdstervennootschappen aan voor het boedeltekort op grond van artikel 2:248 BW. Eén bestuurder en zijn houdstervennootschap hadden bij de rechtbank verstek laten gaan en gingen in hoger beroep. Het hof oordeelt dat zij ontvankelijk zijn omdat artikel 140 lid 3 Rv van toepassing is. Het hof oordeelt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak van het faillissement is, en dat ook de aangesproken bestuurder zich niet kan disculperen en geen matiging krijgt. De omvang van het boedeltekort volgt nog.
Kernoverwegingen
“Als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en ook aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van de vennootschap, dan is iedere bestuurder tegenover de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan (art. 2:248 lid 1 BW). Deze regel strekt tot bescherming van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde vennootschap. Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben. Voor aansprakelijkheid is niet vereist dat vast komt te staan dat de onbehoorlijke taakvervulling de oorzaak is geweest van het faillissement; het moet aannemelijk zijn dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest. De stelplicht en de bewijslast rusten op de curator. Lid 3 bepaalt dat niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Hier ligt de bewijslast op de bestuurder, zoals uit de tekst blijkt (‘die bewijst dat’). Lid 4 voorziet in de mogelijkheid dat de rechter het bedrag waarvoor het bestuur of een individuele bestuurder aansprakelijk is, wordt gematigd. De matigingsgronden van lid 4 zijn […]”
r.o. 5.17
“Omdat de broers gezamenlijk het bestuur voerden van [vennootschap] levert dit handelen van [broer] ook kennelijk onbehoorlijk bestuur van het (tweekoppige) bestuur op. Voor de toepassing van art. 2:248 lid 1 BW doet niet ter zake of [appellant] wist van de betrokkenheid van [broer] bij ITG. Het uitgangspunt is immers de collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur. Daarmee biedt art. 2:248 lid 1 BW de schuldeisers van de gefailleerde vennootschap een vergaande bescherming.”
r.o. 5.20
“Het hof verwerpt het beroep van [appellant] op art. 2:248 lid 3 BW (disculpatie) met betrekking tot het handelen van [broer]. Productie 7 bij de memorie van grieven behelst een e-mail van 22 januari 2021 van de toenmalige advocaat van [appellant] aan de advocaat van [broer]. Uit deze e-mail blijkt dat [appellant] in die periode al wist van de betrokkenheid van [broer] bij ITG. In de e-mail staat immers: “Cliënt heeft in dat verband moeten constateren dat er (aanvragen tot) werken uit het systeem van [vennootschap] zijn verwijderd en bij de nieuwe onderneming van de heer Van Noordennen zijn ondergebracht. Cliënt heeft inmiddels bevestigd gekregen dat uw cliënt nauw bij die nieuwe onderneming van de heer [werknemer 2] betrokken is.” [appellant] heeft vervolgens, hoewel daarmee wel is gedreigd in voornoemde e-mail, geen rechtsmaatregelen genomen jegens [broer]. De curator heeft daar terecht op gewezen. Het kon redelijkerwijs van [appellant], als behoorlijk bestuurder, worden gevergd dat hij wél rechtsmaatregelen had genomen. De betrokkenheid van [broer] bij ITG vormde immers een directe bedreiging voor het voortbestaan van [vennootschap]. Dit geldt temeer in de omstandigheden die toen speelden: pogingen tot uitkoop waren mislukt en de verhouding tussen de broers was erg slecht. [appellant] heeft niet gezorgd voor tijdig factureren”
r.o. 5.21