Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 17 februari 2026
Interne bestuurdersaansprakelijkheid oud-bestuurders stichting derdengelden; geen matiging, geen verjaring
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
De vereffenaar van een ontbonden stichting vordert van twee oud-bestuurders schadevergoeding wegens onbehoorlijk bestuur (artikel 2:9 BW), omdat ten minste € 197.935 van de stichtingsrekening is onttrokken. Het hof oordeelt dat beide bestuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn, ongeacht de oude of huidige redactie van artikel 2:9 BW, en dat verjaring, kwijtschelding en rechtsverwerking niet slagen. Er is geen ruimte voor matiging omdat de bestuurders een ernstig verwijt treft; het volledige bedrag wordt toegewezen, met wettelijke rente vanaf de ontbinding.
Kernoverwegingen
“Naar het oordeel van het hof faalt deze grief. In de oprichtingsakte van de Stichting Beheer Derdengelden van 20 maart 2002 (productie 3 bij de inleidende dagvaarding) is [persoon A] benoemd als secretaris/penningmeester. Vervolgens is [persoon A] op 21 maart 2002 in het handelsregister ingeschreven als bestuurder (productie 26 bij de conclusie van antwoord in reconventie). Het ontbindingsbesluit van 1 november 2014 is tot slot mede door de secretaris van de Stichting Beheer Derdengelden, dus [persoon A] , ondertekend (productie 6 bij de inleidende dagvaarding). Hieruit leidt het hof af dat [persoon A] bestuurder was van de Stichting Beheer Derdengelden. Voor zover [persoon A] ingang wil doen vinden dat buiten zijn medeweten zijn vader, [persoon D] , hem op papier bestuurder heeft gemaakt van de Stichting Beheer Derdengelden door onder meer zijn naam te vermelden in de oprichtingsakte, heeft hij dit onvoldoende concreet onderbouwd. Dit betoog verdraagt zich ook niet met uitlatingen van [persoon A] tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg waaruit volgt dat hij zich er bewust van was dat hij bestuurder was geworden (zie bijvoorbeeld blz. 8 van het proces-verbaal, rechterkolom onderaan). Het hof zal er in het navolgende dus van uitgaan dat [persoon A] bestuurder was van de Stichting Beheer Derdengelden in de periode tussen 20 maart 2002 en 1 november 2014.
Vordering ex artikel 843a Rv”
r.o. 6.4.2
“Naar het oordeel van het hof maakt de redactie van artikel 2:9 BW geen verschil voor de uitkomst van deze zaak. Ongeacht welke redactie van toepassing is, zijn [persoon A] – hoofdelijk – aansprakelijk jegens de Stichting Beheer Derdengelden op grond van artikel 2:9 BW wegens onbehoorlijk bestuur. Het hof motiveert dit oordeel als volgt.”
r.o. 6.6.4
“Tussen partijen is niet in geschil dat in de periode 2002 tot en met 2008 een bedrag van tenminste € 197.935,- van de rekening van de Stichting Beheer Derdengelden is onttrokken. Ook als wordt aangenomen dat, naar [persoon A] stellen maar de vereffenaar gemotiveerd betwist zodat dit niet vast staat, alléén [persoon F] dit bedrag heeft onttrokken, geldt dat [persoon A] in ernstige mate is te verwijten (a) dat zij dat hebben toegelaten en (b) dat zij niet althans niet tijdig genoeg verhaalsmaatregelen tegen [persoon F] hebben getroffen. Daarbij is van belang dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, het gelet op de doelen van de Stichting Beheer Derdengelden en daarmee de aard van de activiteiten van de Stichting Beheer Derdengelden tot de algemene taak van het bestuur behoorde om op een zorgvuldige wijze met de gelden van [persoon E] om te gaan. De gelden behoren toe aan [persoon E] en mochten alleen worden gebruikt om te voldoen aan de betalingsverplichtingen van de Stichting Beheer Derdengelden. In elk geval kan worden vastgesteld, gelet op de onttrekkingen, dat [persoon A] tekortgeschoten zijn in de behoorlijk vervulling van hun algemene bestuurstaak. Daaronder valt ook het voeren van een deugdelijk financieel en administratief beleid. Dit hebben [persoon A] niet althans onvoldoende gedaan. Het hof wordt gesterkt in dit oordeel door de beschikking van de Ondernemingskamer van 24 oktober 2024 (productie 31 zijdens de vereffenaar), waarop de vereffenaar ook een beroep heeft […]”
r.o. 6.6.5