Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 31 maart 2026
Interne bestuurdersaansprakelijkheid voor bezoldiging zonder statutair AVA-besluit
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Enquêterecht
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Twee vennootschappen vorderen via hun OK-bestuurder terugbetaling van bestuurdersbeloningen die zonder het statutair vereiste AVA-besluit zijn uitgekeerd. Het hof oordeelt dat het verhogen van de bezoldiging in strijd met de statuten een ernstig verwijt oplevert in de zin van artikel 2:9 BW en dat de taakverdeling binnen het bestuur daaraan niet afdoet. De hoofdelijke aansprakelijkheid strekt zich op grond van artikel 2:11 BW uit tot de indirecte bestuurders. Voor de periode van schorsing wijst het hof de vordering af, omdat de OK-bestuurder toen een nieuwe overeenkomst had gesloten.
Kernoverwegingen
“Aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW is aan de orde indien aan de bestuurder een ernstig verwijt van zijn handelen kan worden gemaakt (HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, ( [partijnaam] / [partijnaam] )) en (HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:12008:BC4959, ( [partijnaam] )). Bij de beoordeling of de bestuurder een ernstig verwijt treft, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Van een ernstig verwijt is in beginsel sprake indien is gehandeld in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen. De bestuurder kan echter feiten en omstandigheden aanvoeren op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het schenden van de statutaire bepalingen geen ernstig verwijt oplevert (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011, ( [partijnaam] )).”
r.o. 3.9.2
“Het hof overweegt ten aanzien van de perioden 1 en 3 het volgende. De OK heeft beslist dat alle besluiten betreffende bestuurdersbezoldiging nietig zijn dan wel dat dergelijke besluiten zijn vernietigd, ook het besluit met betrekking tot het bedrag van € 108.000,00, welke beslissingen op grond van artikel 2:16 BW jegens een ieder bindend zijn nu [X] en [Y] partij in de desbetreffende procedures zijn geweest. De uitbetaalde bezoldiging voor de bestuurders berust aldus niet op de daartoe noodzakelijke besluiten tot vaststelling van de (hoogte van de) bezoldiging van de AVA. De beslissing dat sprake is van wanbeleid in [X en Y] heeft gezag van gewijsde op de wijze zoals in rov. 3.9.4. aangehaalde beschikking van de Hoge Raad ( [partijnaam] ) is uiteengezet. De door de OK aan die beslissing ten grondslag gelegde feiten hebben dat niet. Het hof ziet evenwel in hetgeen [geïntimeerden] in deze procedure tegen de stellingen van [X en Y] hebben aangevoerd, onder andere over het onderscheid tussen bestuurderswerkzaamheden en operationele werkzaamheden en de Rahmenvereinbarung, geen aanleiding anders te oordelen dan de OK heeft gedaan. De ook in de onderhavige procedure aangevoerde argumenten van [geïntimeerden] heeft de OK gemotiveerd beoordeeld. Het hof neemt de overwegingen van de OK op dit punt over. Deze overwegingen, die zijn gebaseerd op de bevindingen en conclusies in het verslag van OK-onderzoeker [persoon B] (productie 13 van [X en Y] ) luiden als volgt.
“(iii) […]”
r.o. 3.12
“[geïntimeerden] hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het oordeel rechtvaardigen dat van het hierboven in 3.9.2. vermelde beginsel uit het arrest van de Hoge Raad in ‘Berghuizer Papierfabriek’ in hun geval dient te worden afgeweken. Het hof onderschrijft het standpunt van [X en Y] dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling waarvan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] een ernstig verwijt treft. Het hof overweegt onder verwijzing naar de motivering die de OK aan de beslissing tot nietigheid dan wel vernietiging van de desbetreffende besluiten ten grondslag heeft gelegd (zie 3.12. hierboven) dat het verhogen van de bezoldiging voor de bestuurders van een bedrag van (gemiddeld) € 8.000,00 naar een veel hogere forfaitaire vergoeding die is afgestemd op de financiële ruimte c.q. het variabel bedrijfsresultaat van [X] , zonder dat daaraan de statutair voorgeschreven besluiten van de AVA ten grondslag liggen, een veronachtzaming van de ook door de oprichters zelf gekozen taakverdeling tussen de organen van de vennootschap en de daarvan deel uitmakende personen inhoudt. Het gevolg daarvan is dat die organen, in dit geval in het bijzonder de AVA, wordt gefrustreerd de bezoldiging en winstbestemming te bepalen met inachtneming van de beginselen van good governance, dit alles ten faveure van uitsluitend de bestuurders [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] . Het hof verwerpt, evenals de rechtbank en met dezelfde motivering, het betoog van [geïntimeerden] dat de […]”
r.o. 3.14