Hoge Raad · 8 juni 2001
Panmo
Kennelijk onbehoorlijk bestuur: maatstaf artikel 2:248 BW en aanvulling feitelijke grondslag
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
De curator in een faillissement vordert van een oud-bestuurder en beleidsbepaler betaling van het faillissementsdeficit wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het hof wees de vordering af. De Hoge Raad bevestigt dat de maatstaf is of geen redelijk denkend bestuurder zo zou hebben gehandeld, maar vernietigt omdat het hof de feitelijke grondslag van het verweer heeft aangevuld. De zaak wordt verwezen.
Kernoverwegingen
“De stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat [verweerder] tegen het verwijt van de curator dat het bestuur van Panmo door de facturen van Jeanserie in de administratie van Panmo te boeken en daarmee het risico te aanvaarden van een oninbare vordering op Scarpa, een groot financieel risico is aangegaan, slechts het volgende heeft aangevoerd. Het bestuur van Panmo heeft uiteindelijk ervan afgezien om verdere aktie te ondernemen tegen het door Jeanserie op naam van Panmo stellen van de facturen, omdat het dwingen van Jeanserie om de tenaamstelling van de facturen alsnog te wijzigen in die van Scarpa, zodat Panmo niet (meer) aansprakelijk gehouden zou kunnen worden voor de betaling van die facturen, aanzienlijke kosten zou meebrengen. Het Hof heeft derhalve door te overwegen als hiervoor weergegeven in 3.5, naar onderdeel 2 terecht aanvoert, - onderdeel 1 bevat slechts een inleiding - in strijd met art. 176 lid 1 Rv. de feitelijke grondslag van het verweer van [verweerder] aangevuld en/of een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de stellingen van [verweerder]. De gegrondbevinding van onderdeel 2 brengt mee dat onderdeel 3 geen behandeling behoeft. 3.7 In rov. 3.1 heeft het Hof het volgende vooropgesteld: "(…) dat de bepaling van art. 2:248 BW niet ziet op aansprakelijkheid voor, en dus "bestraffing" van onopzettelijke domheden of beleidsfouten, die gerekend kunnen worden tot de normale risico's van het ondernemen. Kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin […]”
r.o. 3.6
“In rov. 3.1 heeft het Hof het volgende vooropgesteld: "(…) dat de bepaling van art. 2:248 BW niet ziet op aansprakelijkheid voor, en dus "bestraffing" van onopzettelijke domheden of beleidsfouten, die gerekend kunnen worden tot de normale risico's van het ondernemen. Kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van dat artikel impliceert dat aan bestuurders een ernstig verwijt gemaakt kan worden van onverantwoordelijk handelen met de wetenschap - objectief te bepalen - dat schuldeisers daarvan de dupe zouden worden, een beleid voorts dat (…) geen bestuurder met de voor het leiden van een onderneming als Panmo vereiste bekwaamheid zou hebben gevoerd, zonder dat hij zich er daarbij van bewust moet zijn geweest de overige crediteuren van Panmo te benadelen. Er moet sprake geweest zijn van roekeloos, lichtzinnig, onbezonnen en onverantwoordelijk gedrag. De toevoeging van het woord "kennelijk" duidt er voorts op dat in geval van twijfel de bestuurders het voordeel van die twijfel wordt gegund." In rov. 3.5 komt het Hof alles afwegende "niet tot de overtuiging dat sprake is van een bestuur dat roekeloos en onbezonnen tewerk is gegaan, daarbij bewust crediteuren benadelend." Onderdeel 2 van middel II - onderdeel 1 bevat slechts een inleiding - strekt ten betoge dat het Hof een te strenge maatstaf heeft aangelegd door te oordelen dat als vereiste voor het aannemen van kennelijk onbehoorlijk bestuur geldt dat de betrokken bestuurder roekeloos en onbezonnen heeft gehandeld. Ook wanneer, […]”
r.o. 3.7
“Uit rov. 3.5, gelezen in samenhang met de rov. 3.1 en 3.4, blijkt dat het Hof duidelijk gebleken opzet om crediteuren te benadelen en een even duidelijke bedoeling om de eigen vennootschap ten koste van de crediteuren te bevoordelen, niet heeft aangemerkt als vereisten waaraan voldaan moet zijn om te kunnen oordelen dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur, maar slechts heeft aangemerkt als één van de concrete omstandigheden waaruit kan volgen dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Zulks getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Hierop stuit onderdeel 3 af. 3.9 Anders dan onderdeel 4 aanneemt heeft het Hof in rov. 3.5 niet geoordeeld dat niet aannemelijk is dat het aangaan van grote financiële risico's een belangrijke oorzaak van het faillissement van Panmo is geweest. Het onderdeel kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 juni 1999 voor zover het betrekking heeft op de vordering tegen [verweerder] inzake zijn (hoofdelijke) aansprakelijkheid voortvloeiend uit kennelijk onbehoorlijk bestuur van Panmo; verwijst het geding in zoverre naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op ƒ 4.044,64 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de […]”
r.o. 3.8