Week 23
Week 23 · 4 jun – 10 jun 2001 · 4 uitspraken
Boek 2 BW (4)
Panmo
Kennelijk onbehoorlijk bestuur: maatstaf artikel 2:248 BW en aanvulling feitelijke grondslag
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
De curator in een faillissement vordert van een oud-bestuurder en beleidsbepaler betaling van het faillissementsdeficit wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het hof wees de vordering af. De Hoge Raad bevestigt dat de maatstaf is of geen redelijk denkend bestuurder zo zou hebben gehandeld, maar vernietigt omdat het hof de feitelijke grondslag van het verweer heeft aangevuld. De zaak wordt verwezen.
ECLI:NL:HR:2001:AB2053
Enquête: gegronde redenen twijfel juist beleid bij beëindiging scheepswerf; cassatie verworpen
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
De OK beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een houdstermaatschappij en haar scheepswerf-dochter, nadat een vakbond twijfelde aan een juist beleid. In cassatie bevestigt de Hoge Raad dat een onderzoek op grond van artikel 2:350 BW slechts toewijsbaar is bij gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Dat oordeel is een eindbeslissing en kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Het cassatieberoep wordt verworpen.
ECLI:NL:HR:2001:AB2176
Kennelijk onbehoorlijk bestuur: maatstaf artikel 2:248 BW bij risicovolle financiering van gelieerde vennootschap
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Een curator vordert van een voormalig bestuurder en aandeelhouder aansprakelijkheid voor het faillissementstekort wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur (artikel 2:248 BW). Het hof wees de vordering af. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: het hof hanteerde de juiste maatstaf van ernstige verwijtbaarheid en mocht oordelen dat het risicovolle handelen in een dalende markt hooguit onverstandig was.
ECLI:NL:PHR:2001:AB2053
Enquête bij scheepswerfgroep: gegronde redenen twijfel aan juist beleid, surséance, marginale toetsing
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
In deze conclusie bij de Hoge Raad gaat het om een door een vakbond gevraagd en door de OK toegewezen enquête bij een scheepswerfgroep. De groep vroeg kort na een werkgelegenheidsgarantie surséance van betaling aan. De plaatsvervangend procureur-generaal wijst erop dat de beslissing over een enquête discretionair is en in cassatie slechts marginaal wordt getoetst. Voldoende is dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
ECLI:NL:PHR:2001:AB2176