← Week 23

Hoge Raad · 6 juni 2001

Enquête: gegronde redenen twijfel juist beleid bij beëindiging scheepswerf; cassatie verworpen

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

De OK beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een houdstermaatschappij en haar scheepswerf-dochter, nadat een vakbond twijfelde aan een juist beleid. In cassatie bevestigt de Hoge Raad dat een onderzoek op grond van artikel 2:350 BW slechts toewijsbaar is bij gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Dat oordeel is een eindbeslissing en kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Kernoverwegingen

“Uitgangspunt moet zijn dat het verzoek tot het instellen van een onderzoek op grond van het bepaalde in art. 2:350 BW slechts toewijsbaar is, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Het oordeel van de Ondernemingskamer dat van gegronde redenen sprake is, kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Het heeft echter niet een voorlopig karakter. Het is immers een eindbeslissing voor zover daarop de beslissing om een onderzoek te bevelen, is gebaseerd. Het verweer van FNV dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is, moet derhalve worden verworpen. 3.4 De Ondernemingskamer heeft haar hiervoor in 3.2 vermelde oordeel in de eerste plaats gebaseerd op de omstandigheden dat (i) ondanks de overname van de reparatiewerf van Wilton-Feijenoord begin 1999 en de daarbij gegeven werkgelegenheidsgarantie reeds in april/mei 1999 werd gewerkt aan een afvloeiingsregeling voor 60% van het personeel en (ii) begin juni 1999 voor IJsselwerf surséance van betaling is aangevraagd (rov. 4.5). De Ondernemingskamer heeft het standpunt van YVC dat deze gang van zaken volledig kan worden verklaard uit de crisis die de internationale scheepsnieuwbouw eind 1998/eerste helft 1999 heeft doorgemaakt, vooralsnog verworpen. Daartegen keren zich de onderdelen 2 en 3 - onderdeel 1 bevat geen klacht - van het middel, doch tevergeefs. Het oordeel van de Ondernemingskamer dat deze omstandigheden, in samenhang […]”

r.o. 3.3

“De Ondernemingskamer heeft haar hiervoor in 3.2 vermelde oordeel in de eerste plaats gebaseerd op de omstandigheden dat (i) ondanks de overname van de reparatiewerf van Wilton-Feijenoord begin 1999 en de daarbij gegeven werkgelegenheidsgarantie reeds in april/mei 1999 werd gewerkt aan een afvloeiingsregeling voor 60% van het personeel en (ii) begin juni 1999 voor IJsselwerf surséance van betaling is aangevraagd (rov. 4.5). De Ondernemingskamer heeft het standpunt van YVC dat deze gang van zaken volledig kan worden verklaard uit de crisis die de internationale scheepsnieuwbouw eind 1998/eerste helft 1999 heeft doorgemaakt, vooralsnog verworpen. Daartegen keren zich de onderdelen 2 en 3 - onderdeel 1 bevat geen klacht - van het middel, doch tevergeefs. Het oordeel van de Ondernemingskamer dat deze omstandigheden, in samenhang bezien, erop kunnen wijzen dat gestreefd werd naar een beëindiging van de onderneming, is niet onbegrijpelijk en kan, als voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. 3.5 De onderdelen 4 tot en met 8 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij kunnen bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. De Ondernemingskamer heeft immers niet beoordeeld of de surséance op zichzelf genomen al dan niet terecht was aangevraagd, doch zij heeft slechts een oordeel gegeven over de vraag of de gang van zaken twijfel kon doen rijzen met betrekking tot het voeren van een juist […]”

r.o. 3.4

“De onderdelen 9 tot en met 12 keren zich met een aantal rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 4.6 van de beschikking. Deze klachten falen. De Ondernemingskamer heeft, zoals hiervoor is overwogen, niet beoordeeld of de surséance terecht is aangevraagd. Zij heeft op grond van de vaststaande feiten geoordeeld dat het tijdstip waarop en de omstandigheden waaronder de surséance is aangevraagd kan bijdragen aan twijfel over het voeren van een juist beleid. Daarbij heeft zij blijkens rov. 4.2 ook acht geslagen op de door YVC aangevoerde omstandigheden. Het oordeel van de Ondernemingskamer geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. 3.7 Onderdeel 13 bestrijdt rov. 4.7 van de bestreden beschikking. De door de Ondernemingskamer vermelde omstandigheden kunnen haar oordeel dat het “vooralsnog ernaar uitziet” dat onvoldoende acquisitieactiviteiten zijn ondernomen, dragen. Dit oordeel kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. 3.8 De onderdelen 14 en 15 keren zich tegen rov. 4.8 van de bestreden beschikking. Daarin oordeelt de Ondernemingskamer dat ook de gang van zaken rond het afsluiten van een opdracht van de Franse rederij Navale Française reden oplevert voor nader onderzoek in verband met het verwijt van FNV dat onvoldoende acquisitieactiviteiten zijn ondernomen. De onderdelen zie eraan voorbij dat de Ondernemingskamer zich tot dat oordeel […]”

r.o. 3.6

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2001:AB2176
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
6 juni 2001
Datum publicatie
30 juli 2001
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:350 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 23 van 2001

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.