Hoge Raad · 21 december 2001
Sobi/Hurks II
Aansprakelijkheid moedermaatschappij en haar bestuurder jegens schuldeisers van failliete dochter
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Schuldeisers van een failliet bouwbedrijf stelden de moedermaatschappij en haar bestuurder, tevens enig aandeelhouder, aansprakelijk uit onrechtmatige daad omdat zij vanaf een bepaald moment niet ingrepen terwijl zij wisten dat de dochter niet meer kon betalen. De Hoge Raad oordeelt dat individuele schuldeisers hun vordering naast de curator mogen instellen. Hij overweegt dat een moeder die alle aandelen houdt feitelijk richtlijnen kan afdwingen, ook zonder bindend instructierecht, en verwerpt de beroepen tegen de aansprakelijkheid van moeder en bestuurder.
Kernoverwegingen
“Bij de behandeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In zijn arrest van 14 januari 1983, nr. 12026, NJ 1983, 597 heeft de Hoge Raad beslist dat een faillissementscurator ook bevoegd is voor de belangen van schuldeisers op te komen bij benadeling van schuldeisers door de gefailleerde en dat in zo een geval onder omstandigheden ook plaats kan zijn voor het geldend maken door de curator van een vordering tot schadevergoeding uit hoofde van art. 1401 BW tegen een derde die bij de benadeling van schuldeisers betrokken is, ook al kwam een dergelijke vordering uiteraard niet aan de gefailleerde zelf toe. Deze regel is in latere arresten herhaald en nader uitgewerkt (HR 8 november 1991, nr. 14278, NJ 1992, 174 en HR 23 december 1994, nr. 15503, NJ 1996, 628). Omdat het een vordering van benadeelde schuldeisers tegen een derde betreft kan een verstoring van de in het faillissement te handhaven "paritas creditorum" zich niet voordoen. De sedert 1983 in de rechtspraak aangenomen bevoegdheid van de curator om ten behoeve van door de gefailleerde benadeelde schuldeisers een vordering uit onrechtmatige daad in te stellen tegen een bij die benadeling betrokken derde staat, ongeacht of de curator van deze bevoegdheid gebruik maakt of niet, dan ook niet eraan in de weg dat die schuldeisers de aan hen toekomende vordering zelf in rechte geldend maken. Voor een andersluidend oordeel zou, mede in verband met het bepaalde in art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, een […]”
r.o. 5.1.3
“Het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat, tenzij de statuten van de dochtermaatschappij daaromtrent enige andersluidende regeling bevatten, het bestuur van een moedermaatschappij niet de bevoegdheid heeft bindende instructies te geven aan het bestuur van een dochtermaatschappij. Dat neemt evenwel niet weg dat een moedermaatschappij, indien zij - zoals destijds bij [verweerder 3] ten opzichte van [het bouwbedrijf] het geval was - houdster is van alle aandelen in een dochtermaatschappij, het feitelijk in haar macht heeft de naleving van door haar aan het bestuur van die dochtermaatschappij gegeven richtlijnen en aanwijzingen met betrekking tot het te volgen beleid af te dwingen, in het uiterste geval door bestuurders die zich niet naar die richtlijnen en aanwijzingen willen voegen, te ontslaan en te vervangen door bestuurders die daartoe wel bereid zouden zijn (HR 10 januari 1990, nr. 21, NJ 1990, 466). Bij zijn oordeel dat [verweerder 3] de hiervoor in 5.3.8.1 opgesomde maatregelen had moeten nemen is het Hof kennelijk ervan uitgegaan dat [verweerder 3] ten opzichte van [het bouwbedrijf] over de hiervoor bedoelde feitelijke macht beschikte. Voorzover het onderdeel erop neerkomt dat het Hof ten onrechte zou hebben geoordeeld dat het bestuur van [verweerder 3] de bevoegdheid had het bestuur van [het bouwbedrijf] instructies te verstrekken en dat dit bestuur verplicht was die instructies op te volgen, mist het derhalve feitelijke grondslag en kan het om die reden niet […]”
r.o. 5.3.8.3
“De onderdelen 4.2 en 4.3 komen met motiveringsklachten op tegen rov. 4.17.1 en 4.17.2 van genoemd tussenarrest. Zij voeren aan dat ontoelaatbaar onduidelijk is waarom het Hof heeft aangenomen dat [verweerder 1] bekend was of bekend moest zijn met de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het oordeel van het Hof omtrent het handelen van [verweerder 3], en dat ontoelaatbaar onduidelijk is waarom het Hof van oordeel is dat [verweerder 1] wetenschap had van de (slechte) financiële positie van [het bouwbedrijf], onderscheidenlijk daarop toezicht had, onderscheidenlijk zich daarin mengde. De onderdelen falen. Het Hof heeft aan de hand van de in de rov. 4.17.1 en 4.17.2 genoemde feiten en omstandigheden vastgesteld dat [verweerder 1], in het bijzonder waar het betrof het inzicht in en het toezicht op het financiële reilen en zeilen van [het bouwbedrijf], een dominante positie innam. Aan het slot van rov. 4.17.2 heeft het Hof geoordeeld dat bij [verweerder 1] wetenschap bestond over de slechte financiële positie bij [het bouwbedrijf] en dat het vanuit [verweerder 3] uitgeoefende toezicht c.q. de verrichte inmenging geschiedde op aanwijzing van [verweerder 1]. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat [verweerder 1] enig aandeelhouder van [verweerder 3] was; dat [verweerder 1] samen met [betrokkene B] de directie van [verweerder 3] vormde, doch dat [verweerder 1] bevoegd was [verweerder 3] zonder medewerking van [betrokkene B] te vertegenwoordigen, terwijl de […]”
r.o. 5.4.3