← Week 5

Hoge Raad · 1 februari 2002

Aandeelhouder onrechtmatig jegens Ontvanger bij verkoop aandelen geldzakvennootschap met vervangingsreserve

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een ontvanger vordert schadevergoeding van verkopende aandeelhouders, omdat zij in 1982 en 1983 aandelen in vennootschappen met vervangingsreserves verkochten aan een koper die deze vennootschappen leeghaalde. De Hoge Raad oordeelt dat het ook toen al onrechtmatig was om zulke aandelen te verkopen als men wist of behoorde te weten dat de vennootschap zou worden leeggehaald. De uitsluiting van terugwerkende kracht van artikel 40 Invorderingswet 1990 staat aan een vordering uit onrechtmatige daad niet in de weg. De zaak wordt verwezen.

Kernoverwegingen

“Ook beoordeeld naar de in de jaren tachtig van de vorige eeuw geldende maatstaven - te wijzen valt in dit verband onder meer op de rechtspraak inzake het profiteren van wanprestatie alsmede het meewerken aan het verminderen van verhaalsmogelijkheden - is het jegens de ontvanger onrechtmatig de aandelen in een geldzakvennootschap met vervangingsreserves te vervreemden terwijl men weet of behoort te weten dat die vennootschap vervolgens zal worden leeggehaald. Het enkele door de vervreemder achterwege laten van maatregelen ter zekerstelling van de belangen van de ontvanger terwijl rekening gehouden moest worden met de mogelijkheid van leeghalen, kan echter naar de toen geldende opvattingen niet als onrechtmatig worden aangemerkt. 4.5.3 Anders dan het Hof in zijn rov. 3.7 en 3.14 heeft geoordeeld, kan uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Invorderingswet 1990 niet worden afgeleid dat de wetgever van oordeel was dat de norm inhoudende dat de houder van de aandelen in een geldzakvennootschap met vervangingsreserves die aandelen niet behoort te vervreemden indien hij weet of behoort te weten dat die vennootschap vervolgens zal worden leeggehaald, zodat inning van nog verschuldigde vennootschapsbelasting onmogelijk wordt, in de jaren tachtig van de vorige eeuw nog niet in voldoende mate in het rechtsbewustzijn was verankerd. Uit die geschiedenis kan, ten aanzien van de mogelijkheid de vervreemdende aandeelhouder aansprakelijk te stellen voor de door de vennootschap nog […]”

r.o. 4.5.2

“Anders dan het Hof in zijn rov. 3.7 en 3.14 heeft geoordeeld, kan uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Invorderingswet 1990 niet worden afgeleid dat de wetgever van oordeel was dat de norm inhoudende dat de houder van de aandelen in een geldzakvennootschap met vervangingsreserves die aandelen niet behoort te vervreemden indien hij weet of behoort te weten dat die vennootschap vervolgens zal worden leeggehaald, zodat inning van nog verschuldigde vennootschapsbelasting onmogelijk wordt, in de jaren tachtig van de vorige eeuw nog niet in voldoende mate in het rechtsbewustzijn was verankerd. Uit die geschiedenis kan, ten aanzien van de mogelijkheid de vervreemdende aandeelhouder aansprakelijk te stellen voor de door de vennootschap nog verschuldigde vennootschapsbelasting of voor mede door toedoen van de vervreemder onrechtmatig veroorzaakte "leeghaalschade", slechts worden afgeleid dat de wetgever met de in art. 40 neergeleg-de aansprakelijkheidsregeling aan de ontvanger in de invorderingssfeer een nieuw instrument ter bestrijding van het misbruik met zogenaamde "vervangingsreserve-B.V.'s" ter beschikking wilde stellen. Dit geschiedde naast de mogelijkheden die invoering van het "open systeem" van de Invorderingswet 1990 aan de ontvanger zou bieden. 4.5.4 Ten aanzien van dat nieuwe invorderingsinstrument formuleerde de Raad van State als bezwaar dat "ook degene die vóór de inwerkingtreding van artikel 41 [nadien vernummerd tot 40] een aanmerkelijk belang heeft […]”

r.o. 4.5.3

“Ten aanzien van dat nieuwe invorderingsinstrument formuleerde de Raad van State als bezwaar dat "ook degene die vóór de inwerkingtreding van artikel 41 [nadien vernummerd tot 40] een aanmerkelijk belang heeft vervreemd in daartoe leidende gevallen aansprakelijk is voor de belastingschuld van de desbetreffende vennootschap. Deze terugwerkende kracht ware - eventueel in de Invoeringswet - uit te sluiten dan wel deugdelijk te motiveren." (Kamerstukken II, 1987/88, 20 588, B, blz. 17). Teneinde aan dit, en geen ander bezwaar tegemoet te komen, is in art. LVII, lid 4 Invoeringswet Invorderingswet 1990 bepaald dat art. 40 Iw 1990 geen toepassing vindt in de gevallen waarin de vervreemding, bedoeld in dat artikel, heeft plaatsgevonden vóór 1 juni 1990. Aan (de ontstaansgeschiedenis van) deze bepaling kunnen echter, anders dan het Hof in zijn rov. 3.14 heeft geoordeeld, geen gevolgen worden verbonden voor een vordering van de ontvanger uit onrechtmatige daad, waarbij de gestelde onrechtmatigheid hierin bestaat dat de vervreemder in de jaren 1982/83 de hiervoor in de eerste zin van 4.5.3 omschreven norm heeft geschonden. Bij een dergelijke vordering, die de ontvanger ook vóór 1 juni 1990 zou hebben kunnen instellen (vgl. HR 12 mei 1989, nr. 13399, NJ 1990, 130) is het belang van de rechtszekerheid immers, in aanmerking genomen hetgeen hiervoor in de eerste zin van 4.5.2 is overwogen, niet in het geding. 4.5.5 Uit het hiervoor onder 4.5.2 - 4.5.4 overwogene volgt dat de klachten onder […]”

r.o. 4.5.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2002:AD5809
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
1 februari 2002
Datum publicatie
1 februari 2002
Spoor
Art. 6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
aandeelhouder
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 5 van 2002

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.