Hoge Raad · 1 februari 2002
Enquête op vordering Advocaat-Generaal om redenen van openbaar belang naast bevolen enquête
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een holding bestreed in cassatie dat de Advocaat-Generaal om redenen van openbaar belang een enquête kon vorderen naar een beursvennootschap terwijl al een enquête was bevolen. De Hoge Raad oordeelt dat de bevoegdheid van artikel 2:345 BW niet is beperkt tot situaties zonder bevolen onderzoek. De OK toetst als feitenrechter of de gestelde redenen van openbaar belang juist zijn. Opzettelijke misleiding van het beleggend publiek kon een onderzoek rechtvaardigen.
Kernoverwegingen
“Middel 1 klaagt dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat het Openbaar Ministerie op grond van de hem toevertrouwde belangen slechts een beperkte opdracht heeft en (a) buiten de grenzen van deze beperkte opdracht trad toen de Advocaat-Generaal de ingediende vordering tot het gelasten van een enquête handhaafde, wetend dat een ander deze enquête had gevorderd en dat deze enquête ook al was gelast en (b) dat toewijzing van de door de Advocaat-Generaal gevorderde enquête niet in overeenstemming zou zijn met deze beperkte opdracht. Blijkens de op het middel gegeven toelichting strekt het middel ten betoge dat de vordering tot het instellen van een onderzoek moet worden afgewezen als reeds een enquête is gelast. Het middel faalt, omdat het uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Het strookt niet met de strekking van de aan de Advocaat-Generaal in de wet gegeven bevoegdheid om redenen van openbaar belang een vordering te doen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon, die bevoegdheid beperkt te achten in die zin dat daarvan geen gebruik gemaakt zou kunnen worden indien reeds een onderzoek is bevolen. Het is aan het oordeel van de Ondernemingskamer, als de rechter die over de feiten oordeelt, overgelaten te beoordelen of in verband met de doeleinden van het onderzoek een dergelijke vordering om redenen van openbaar belang, welke redenen moeten worden gesteld en door de Ondernemingskamer op juistheid worden getoetst, ook in het […]”
r.o. 3.2
“Middel 2 klaagt dat de Ondernemingskamer de feiten heeft aangevuld door te overwegen (rov. 4.7) dat de belangen van kleine aandeelhouders gebaat zijn bij deze enquête en dat ook het toezicht op de rechtmatige gang van zaken bij de uitgifte van aandelen door beursvennootschappen en de juiste en adequate informatieverschaffing als van openbaar belang moeten worden aangemerkt. Deze klacht is ongegrond. De Ondernemingskamer heeft in haar door het middel gewraakte overweging niet de feiten aangevuld, doch naar aanleiding van hetgeen de Advocaat-Generaal in zijn vordering had aangevoerd met betrekking tot "misleiding van het beleggend publiek door de vennootschap" nader gemotiveerd waarom zij van oordeel is dat er in dit geval redenen van openbaar belang zijn die aanleiding geven tot het instellen van het gevorderde onderzoek. 3.4 Middel 3 keert zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen rov. 4.7 waarin de Ondernemingskamer volgens het middel heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over het begrip "openbaar belang" als bedoeld in art. 2:345 lid 2 BW, althans haar oordeel dat zich een aangelegenheid van openbaar belang voordeed, onvoldoende heeft toegelicht. Het middel faalt. De Ondernemingskamer heeft het gestelde in de vordering van de Advocaat-Generaal aldus opgevat dat het beleggend publiek door de (beursgenoteerde) vennootschap opzettelijk is misleid door een onjuiste presentatie van haar financiële gegevens ten gevolge van onjuiste boekingen, welke […]”
r.o. 3.3
“Middel 3 keert zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen rov. 4.7 waarin de Ondernemingskamer volgens het middel heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over het begrip "openbaar belang" als bedoeld in art. 2:345 lid 2 BW, althans haar oordeel dat zich een aangelegenheid van openbaar belang voordeed, onvoldoende heeft toegelicht. Het middel faalt. De Ondernemingskamer heeft het gestelde in de vordering van de Advocaat-Generaal aldus opgevat dat het beleggend publiek door de (beursgenoteerde) vennootschap opzettelijk is misleid door een onjuiste presentatie van haar financiële gegevens ten gevolge van onjuiste boekingen, welke misleiding in verband met de feiten als vastgesteld in de beschikking van 22 juni 2000 zodanig ernstig is dat uit oogpunt van algemeen belang een onderzoek gerechtvaardigd is. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onvoldoende gemotiveerd. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt BTG in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Advocaat-Generaal en De Vries Robbé ieder begroot op ƒ 575,-- (€ 260,92) aan verschotten en op ƒ 2.000,-- (€ 907,56) voor salaris. Deze beschikking is gegeven door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, A. Hammerstein, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, en door de raadsheer A. Hammerstein in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2002.”
r.o. 3.4