Hoge Raad · 3 mei 2002
Tegenstrijdig belang bestuurder; vernietiging bestuursbesluit door aandeelhouder; actio Pauliana borg
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een aandeelhouder vordert vernietiging van een bestuursbesluit waarmee de vennootschap een managementovereenkomst sloot met een vennootschap van de bestuurder en diens zonen. De Hoge Raad oordeelt dat de tegenstrijdig-belangregeling (artikel 2:146 BW en voorgangers) ook indirect tegenstrijdige belangen omvat. Het bestuur moet de algemene vergadering tijdig informeren, en iedere belanghebbende, onder wie de aandeelhouder, kan vernietiging van het bestuursbesluit vorderen. Daarnaast kan een borg als voorwaardelijk schuldeiser de actio Pauliana inroepen.
Kernoverwegingen
“Middel I komt op tegen hetgeen het Hof in rov. 8 heeft overwogen. Het voert aan - samengevat weergegeven - dat het Hof heeft miskend dat [eiseres] als borg voor de verplichtingen van Sundat tegenover de haar financierende bank een regresvordering op Sundat onder opschortende voorwaarde had, en dat ook schuldeisers onder opschortende voorwaarde de pauliana kunnen inroepen, mits de benadeling van de (voorwaardelijke) schuldeiser voldoende concreet dreigt. Het middel slaagt. Een borg heeft jegens de hoofdschuldenaar een regresvordering onder de opschortende voorwaarde dat hij als borg heeft betaald. Deze regel is onder meer neergelegd in het te dezen toepasselijke art. 1858 (oud) BWNA. Aangenomen moet worden dat ook aan de schuldeiser van een vordering onder opschortende voorwaarde in beginsel een beroep op de Pauliana toekomt. Er is geen reden de (voorwaardelijke) schuldeiser wiens schuldenaar zich aan paulianeuze handelingen schuldig maakt, niet de mogelijkheid te geven daartegen op te komen; evenals voor de onvoorwaardelijke schuldeiser is het immers ook voor hem van belang dat hij zijn verhaalspositie kan veiligstellen. Bij de totstandkoming van art. 3:45 BW is in de MvA II opgemerkt dat de positie van de schuldeiser aan wiens vordering een voorwaarde is verbonden, beoordeeld zal moeten worden aan de hand van art. 6:26 (art. 6.1.5.5), dat bepaalt dat op voorwaardelijke verbintenissen de bepalingen betreffende onvoorwaardelijke verbintenissen van toepassing zijn voorzover […]”
r.o. 3.4
“Bij de behandeling van de onderdelen moet het volgende worden vooropgesteld. De in de wet opgenomen tegenstrijdig-belangregeling (art. 124 WvKNA, gelijk aan art. 51 (oud) K. en (vrijwel) gelijk aan art. 2:146 BW) gaat ervan uit dat het risico, voortspruitend uit de mogelijkheid dat de bestuurder bij zijn handelen, dat gericht moet zijn op het belang van de vennootschap, zijn persoonlijk belang laat prevaleren, moet worden vermeden. Onder tegenstrijdig belang moet in dit verband ook worden verstaan een indirect tegenstrijdig belang zoals zich voordoet in de onderhavige zaak, waarin een vennootschap, vertegenwoordigd door haar bestuurder, handelt met een vennootschap waarbij die bestuurder en directe familieleden (in het onderhavige geval de zonen) betrokken zijn. Op grond van de strekking van genoemde bepalingen zal in tegenstrijdig-belangsituaties van het bestuur mogen worden verwacht dat het de verschillende belangen gescheiden houdt en dat het zo veel mogelijk zorgvuldigheid en openheid betracht. Indien een vennootschap, zoals in het onderhavige geval Sundat, geen raad van commissarissen heeft, is de algemene vergadering van aandeelhouders ingevolge de tweede volzin van art. 124 WvKNA (art. 2:146 BW) bevoegd om in gevallen van tegenstrijdig belang een bijzondere vertegenwoordiger aan te wijzen. Deze bepaling is van dwingend recht. Gezien de reeds gereleveerde strekking van genoemde bepalingen, zal in het algemeen op het bestuur de plicht rusten om de algemene vergadering […]”
r.o. 3.5.2
“De onderdelen II 1 en II 2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij betogen terecht dat het Hof bij de beoordeling van de vordering onvoldoende onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds de vordering met betrekking tot het bestuursbesluit en anderzijds die met betrekking tot de gesloten overeenkomst. Weliswaar kan slechts de vertegenwoordigde vennootschap de nietigheid van de overeenkomst inroepen op grond van veronachtzaming van een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid als de onderhavige, maar deze regel geldt niet ten aanzien van het bestuursbesluit dat ten grondslag ligt aan de overeenkomst. De nietigheid van een zodanig bestuursbesluit kan door iedere belanghebbende worden ingeroepen. Het Hof had dan ook dienen te onderzoeken of de door [eiseres], aandeelhoudster van Sundat, gestelde tegenstrijdigheid tussen het belang van bestuurder [betrokkene A] (en diens zonen) en het belang van Sundat zich voordeed. De onderdelen slagen. De klachten van de onderdelen II 3 - II 5 behoeven na het voorgaande geen behandeling meer. 3.5.4 Onderdeel II 6 is gericht tegen de verwerping door het Hof in rov. 10 van de stelling van [eiseres] dat de managementovereenkomst en het bestuursbesluit strijdig zijn met de goede zeden, respectievelijk de goede trouw. In eerste aanleg heeft Joral gesteld dat de managementovereenkomst een formalisering was van een reeds bestaande situatie. Door [eiseres] is dit echter expliciet bestreden; zo heeft zij gesteld dat de overeenkomst erop was […]”
r.o. 3.5.3