Hoge Raad · 28 juni 2002
Aard 403-verklaring en verzet pandhouder tegen beëindiging overblijvende aansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
De Hoge Raad oordeelt dat een 403-verklaring een eenzijdige rechtshandeling is waaraan de schuldeiser rechtstreeks een recht ontleent, en dat dit geen afhankelijk recht of borgtocht oplevert. Een pandhouder van vorderingen op de dochter is niet de schuldeiser voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt en kan daarom geen verzet instellen tegen beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid. De beschikking van de OK wordt vernietigd.
Kernoverwegingen
“Art. 2:403 lid 1 bepaalt dat een tot een groep behorende rechtspersoon de jaarrekening niet behoeft in te richten overeenkomstig de voorschriften van titel 9 van boek 2 BW, mits is voldaan aan de in het eerste lid vermelde voorwaarden. Een van deze voorwaarden - als vermeld onder f van het artikellid - is dat een andere rechtspersoon of vennootschap, in wiens jaarrekening de gegevens zijn geconsolideerd (hierna aan te duiden als de moedermaatschappij), schriftelijk heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de rechtspersoon (verder te noemen de dochtermaatschappij) voortvloeiende schulden. Wat deze verklaring - waarvan de betekenis moet worden begrepen tegen de hiervoor vermelde achtergrond dat zij dient als een van de voorwaarden voor het gebruik van een geconsolideerde jaarrekening - in een concreet geval inhoudt moet worden vastgesteld door uitleg daarvan. Daarbij zal in beginsel vooral moeten worden gelet op de aard van deze verklaring, zoals hierna in 3.4.3 aangeduid. De strekking van de verklaring zoals deze volgt uit de hiervoor vermelde context van de wet, kan ook een rol spelen bij deze uitleg. Door de strekking in rov. 4.9 voorop te stellen is de Ondernemingskamer echter uitgegaan van een onjuiste maatstaf. 3.4.3 De hier bedoelde verklaring die de moedermaatschappij heeft afgelegd, is een niet tot een bepaalde partij gerichte eenzijdige rechtshandeling op grond waarvan rechtstreeks aansprakelijkheid van de […]”
r.o. 3.4.2
“De hier bedoelde verklaring die de moedermaatschappij heeft afgelegd, is een niet tot een bepaalde partij gerichte eenzijdige rechtshandeling op grond waarvan rechtstreeks aansprakelijkheid van de moedermaatschappij ontstaat. Anders dan de Ondernemingskamer heeft geoordeeld, kan de "contractant" jegens de moedermaatschappij geen recht ontlenen aan art. 2:403, doch uitsluitend aan de door deze gedeponeerde verklaring. 3.4.4 In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de verklaring in het onderhavige geval slechts inhoudt dat Akzo Nobel zich hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de uit rechtshandelingen van IndustriePark voortvloeiende schulden. 3.4.5 Nu een eenzijdige verklaring van hoofdelijke aansprakelijkheid niet een afhankelijk recht in het leven roept, getuigt het oordeel van de Ondernemingskamer dat het recht dat de contractant verkrijgt jegens de moedermaatschappij, een afhankelijk recht - als bedoeld in de artikelen 3:7 en 3:82 BW - is, van een onjuiste rechtsopvatting. 3.4.6 Uit het voorafgaande volgt dat ook het oordeel van de Ondernemingskamer dat Akzo Nobel in een positie is komen te verkeren "als had zij zich ten behoeve van de dochter (...) jegens de contractant tot borg gesteld", geen stand kan houden. Voor zover de Ondernemingskamer dit oordeel heeft gebaseerd op een uitleg van de door Akzo Nobel afgelegde verklaring, is haar oordeel in het licht van de bewoordingen ervan die niets omtrent borgtocht inhouden, onbegrijpelijk. Voor zover de […]”
r.o. 3.4.3
“Nu een eenzijdige verklaring van hoofdelijke aansprakelijkheid niet een afhankelijk recht in het leven roept, getuigt het oordeel van de Ondernemingskamer dat het recht dat de contractant verkrijgt jegens de moedermaatschappij, een afhankelijk recht - als bedoeld in de artikelen 3:7 en 3:82 BW - is, van een onjuiste rechtsopvatting. 3.4.6 Uit het voorafgaande volgt dat ook het oordeel van de Ondernemingskamer dat Akzo Nobel in een positie is komen te verkeren "als had zij zich ten behoeve van de dochter (...) jegens de contractant tot borg gesteld", geen stand kan houden. Voor zover de Ondernemingskamer dit oordeel heeft gebaseerd op een uitleg van de door Akzo Nobel afgelegde verklaring, is haar oordeel in het licht van de bewoordingen ervan die niets omtrent borgtocht inhouden, onbegrijpelijk. Voor zover de Ondernemingskamer dit oordeel heeft gebaseerd op de strekking van art. 2:403, berust haar oordeel op een onjuiste rechtsopvatting, nu hoofdelijke aansprakelijkheid, ook in het kader van deze bepaling, niet op één lijn gesteld kan worden met borgtocht. 3.5.1 Onderdeel 6 keert zich tegen het oordeel van de Ondernemingskamer als hiervoor weergegeven in 3.2 onder e. 3.5.2 Voor zover dit oordeel voortbouwt op de voorafgaande overwegingen, kan het reeds op grond van de ondeugdelijkheid daarvan niet in stand blijven. 3.5.3 Het recht van instellen van verzet op de voet van art. 2:404 lid 5 komt - in de bewoordingen van dit artikellid - toe aan "de schuldeiser voor wiens […]”
r.o. 3.4.5