Hoge Raad · 18 oktober 2002
Artikel 2:248 BW niet rechtstreeks toepasselijk bij verhaal aannemer op bestuurder onderaannemer
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Aannemers die zijn aangesproken voor belasting- en premieschulden van een gefailleerde onderaannemer, zoeken verhaal op diens bestuurder. De Hoge Raad oordeelt dat dit verhaal ook mogelijk is als de bestuurder niet zelf door de uitvoeringsinstantie is aangesproken. Het wettelijk vermoeden van onbehoorlijk bestuur uit artikel 2:248 BW is echter niet rechtstreeks van toepassing op de bestuurdersaansprakelijkheid uit de CSV en de Invorderingswet 1990. Het arrest van het hof wordt vernietigd.
Kernoverwegingen
“Bij de behandeling van het onderdeel moet het volgende worden vooropgesteld. Op grond van art. 16b lid 1, onder a, in verbinding met lid 7 CSV is de aannemer (in het onderhavige geval de Woningstichtingen) hoofdelijk aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie die de onderaannemer (in het onderhavige geval [A]) is verschuldigd, als die onderaannemer met betaling in gebreke is. Hetzelfde geldt op grond van art. 35 lid 1, onder a, Iw 1990 met betrekking tot niet betaalde loonbelasting. Art. 16d CSV bepaalt dat in het geval dat de onderaannemer met de betaling in gebreke is, tevens iedere bestuurder van de onderaannemer hoofdelijk aansprakelijk is overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 t/m 12 van genoemd artikel. In de Iw 1990 is een soortgelijke aansprakelijkheid van de bestuurder geregeld in art. 36. Voornoemde, op de wetgeving met betrekking tot keten- en bestuurdersaansprakelijkheid berustende, aansprakelijkheden treden in zodra de onderaannemer met de betaling van de premie en/of belasting in gebreke is. Het gaat dan ook om een aansprakelijkheid van rechtswege. Hieraan doet niet af dat een aansprakelijkstelling van de aannemer of de bestuurder van de onderaannemer is vereist, indien de uitvoeringsinstanties die aansprakelijkheid wensen te realiseren. De keten- en bestuurdersaansprakelijkheid is in de CSV en de Iw 1990 voorts uitdrukkelijk geregeld als een hoofdelijke aansprakelijkheid. Het is derhalve in beginsel aan de uitvoeringsinstantie om te kiezen wie zij […]”
r.o. 3.4.2
“Noch de tekst noch de strekking van voormelde wettelijke regeling brengt mee dat de aannemer slechts op grond van art. 16g lid 1 CSV of art. 56 lid 1 Iw 1990 verhaal zou kunnen zoeken op een bestuurder van de onderaannemer, indien die bestuurder zelf door de uitvoeringsinstantie(s) aansprakelijk is gesteld. De wettelijke regeling schrijft niet voor dat de uitvoeringsinstanties een bepaalde volgorde in acht moeten nemen indien zij een hoofdelijk aansprakelijke willen aanspreken. Hebben zij, zoals in het onderhavige geval, een keuze gemaakt voor de aansprakelijke aannemer en heeft die aannemer betaald, dan is voor hen een verder verhaal niet meer aan de orde. Aan de rechtspositie van de bestuurder van de onderaannemer wordt hierdoor niet tekortgedaan, daar de verhaalsmogelijkheid, neergelegd in de art. 16g CSV en 56 Iw 1990 slechts bestaat als de aangesprokene op grond van het bepaalde in art. 16d CSV, respectievelijk art. 36 Iw 1990, ook daadwerkelijk aansprakelijk is. Het onderdeel faalt derhalve. 3.4.4 De tegen hetzelfde rechtsoordeel van het Hof gerichte motiveringsklacht kan niet tot cassatie leiden, omdat een rechtsoordeel niet met een motiveringsklacht kan worden bestreden. 3.5.1 Onderdeel 3 betoogt dat het Hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door in de rov. 4.4 t/m 4.11 onder verwijzing naar artikel 2:248 BW wegens het enkele ontbreken van de jaarrekening te oordelen dat [eiser] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld. Het voert aan dat de […]”
r.o. 3.4.3
“Het onderdeel slaagt. De in art. 16d CSV en art. 36 Iw 1990 neergelegde bestuurdersaansprakelijkheid voor premie- en belastingschulden, is een gevolg van de uit 1986 stammende zogenoemde Tweede misbruikwet (Wet van 21 mei 1986, Stb. 276). De bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement is geregeld in de zogenoemde Derde misbruikwet (Wet van 16 mei 1986, Stb. 275); art. 2:248 BW vormt de kern van die regeling. Om de positie van de curator (en derhalve de positie van de boedel) te versterken is in genoemd artikel in lid 2 het onweerlegbaar wettelijk vermoeden opgenomen dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld indien het niet heeft voldaan aan - kort gezegd - boekhoudplicht en publicatieplicht, en het weerlegbaar wettelijk vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Een dergelijke bepaling ontbreekt in de CSV en de Iw 1990. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van beide misbruikwetten - zie daarvoor de conclusie van de Advocaat-Generaal nrs. 4.23-4.26 - blijkt dat de wetgever niet heeft gevoeld voor een aansluiting van de art. 16d CSV en 36 Iw 1990 bij het (strengere) stelsel van art. 2:248 BW. Het Hof is dan ook ten onrechte uitgegaan van de toepasselijkheid van art. 2:248 BW in het onderhavige geval. Uiteraard zullen feiten en omstandigheden die een wettelijk vermoeden in de zin van art. 2:248 BW zouden opleveren, een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de aansprakelijkheid op grond van de art. 16d CSV […]”
r.o. 3.5.2