Hoge Raad · 13 december 2002
Vennoot vof kan zelfstandig in hoger beroep tegen veroordeling naast de vof
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een werknemer vorderde loon van een vennootschap onder firma en van haar vennoten persoonlijk; alleen de vennoten gingen in hoger beroep en werden door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. De Hoge Raad oordeelt dat een schuldeiser tegen de vennoot twee samenlopende vorderingsrechten heeft: tegen de gezamenlijke vennoten (verhaalbaar op het vermogen van de vof) en tegen de vennoot persoonlijk. Een vonnis tegen de vof heeft daarom geen gezag van gewijsde jegens de vennoot, die zelfstandig verweer mag voeren. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd.
Kernoverwegingen
“Het middel klaagt terecht dat de Rechtbank met haar hiervóór in 3.2 vermelde oordelen heeft miskend dat een schuldeiser van de v.o.f. tegen ieder der vennoten twee samenlopende vorderingsrechten heeft, namelijk een vorderingsrecht tegen de gezamenlijke vennoten, welke vordering verhaalbaar is op het vermogen van de v.o.f., en een vorderingsrecht tegen de vennoot persoonlijk, welke vordering verhaalbaar is op het vermogen van deze vennoot. Een schuldeiser die zijn rechten doet gelden tegen zowel de v.o.f. als de vennoot persoonlijk, stelt, naar het middel eveneens met juistheid betoogt, in materiële zin twee vorderingen in, waarvan de toewijsbaarheid mede afhangt van de verweren welke door de v.o.f. onderscheidenlijk de vennoot persoonlijk worden gevoerd, zodat reeds op deze grond een tegen de v.o.f. gewezen vonnis waarbij een vordering tegen de v.o.f. is toegewezen geen gezag van gewijsde kan krijgen jegens de vennoot persoonlijk. 3.3.2 Indien de schuldeiser een vordering instelt tegen een vennoot persoonlijk mag deze zowel verweren voeren die zijn ontleend aan verweren die de v.o.f. zou (kunnen) voeren, als verweren die hem persoonlijk betreffen. Ook uit de omstandigheid dat de vennoot hoofdelijk verbonden is voor de schulden van de v.o.f. vloeit niet voort dat de vennoot die in persoon wordt aangesproken voor een schuld van de v.o.f., geen ander verweer dan een aan zijn persoonlijke omstandigheden ontleend verweer zou mogen voeren tegen de vordering. 3.3.3 Er is voorts […]”
r.o. 3.3.1
“Indien de schuldeiser een vordering instelt tegen een vennoot persoonlijk mag deze zowel verweren voeren die zijn ontleend aan verweren die de v.o.f. zou (kunnen) voeren, als verweren die hem persoonlijk betreffen. Ook uit de omstandigheid dat de vennoot hoofdelijk verbonden is voor de schulden van de v.o.f. vloeit niet voort dat de vennoot die in persoon wordt aangesproken voor een schuld van de v.o.f., geen ander verweer dan een aan zijn persoonlijke omstandigheden ontleend verweer zou mogen voeren tegen de vordering. 3.3.3 Er is voorts geen reden in dit geval een uitzondering te maken op de regel dat bij hoofdelijke verbondenheid van meer schuldenaren de toewijzing van een vordering tegen de ene schuldenaar de andere schuldenaar niet de mogelijkheid ontneemt tegen de vordering verweer te voeren. 3.3.4 Ten slotte kan ook de omstandigheid dat één van de in eerste aanleg als verweerders betrokken partijen heeft berust in een tegen haar gewezen vonnis, aan de andere verweerders niet het recht ontnemen van het vonnis voorzover het tegen hen is gewezen in hoger beroep te komen. Daaraan kan niet afdoen dat de verweerders tezamen in hun hoedanigheid van vennoot zijn veroordeeld, omdat het blijkens het hiervoor in 3.3.1 overwogene gaat om onderscheiden vorderingen en de vennoot, zoals hiervoor in 3.3.2 is overwogen, tegen de hem persoonlijk betreffende vordering (ook in hoger beroep) zelfstandig verweer mag voeren. 3.3.5 Het oordeel van de Rechtbank dat [eiser] c.s. geen belang […]”
r.o. 3.3.2
“Ten slotte kan ook de omstandigheid dat één van de in eerste aanleg als verweerders betrokken partijen heeft berust in een tegen haar gewezen vonnis, aan de andere verweerders niet het recht ontnemen van het vonnis voorzover het tegen hen is gewezen in hoger beroep te komen. Daaraan kan niet afdoen dat de verweerders tezamen in hun hoedanigheid van vennoot zijn veroordeeld, omdat het blijkens het hiervoor in 3.3.1 overwogene gaat om onderscheiden vorderingen en de vennoot, zoals hiervoor in 3.3.2 is overwogen, tegen de hem persoonlijk betreffende vordering (ook in hoger beroep) zelfstandig verweer mag voeren. 3.3.5 Het oordeel van de Rechtbank dat [eiser] c.s. geen belang hebben bij de procedure in hoger beroep kan derhalve geen stand houden. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Maastricht van 25 januari 2001; verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 328,70 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann, als voorzitter, en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 13 december 2002.”
r.o. 3.3.4