← Week 28

Hoge Raad · 9 juli 2004

Duplicado

Tegenstrijdig belang en vertegenwoordigingsbevoegdheid bestuurder/enig aandeelhouder bij verpanding (artikel 2:256 BW)

  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een vennootschap wilde een vordering laten verifiëren in het faillissement van een zustervennootschap op basis van een hoofdelijkheidsverklaring en pandakte, beide getekend door dezelfde directeur/enig aandeelhouder. De Hoge Raad bevestigt dat artikel 2:256 BW de vennootschap beschermt en ook geldt bij handelen met een andere vennootschap waarbij de bestuurder nauw betrokken is. Zonder uitdrukkelijk aandeelhoudersbesluit was de bestuurder niet bevoegd; de curator kon zich daarop beroepen.

Kernoverwegingen

“Anders dan onderdeel 1.3 van het middel betoogt, was het voor de toepassing van art. 2:256 BW niet nodig dat de curator zich uitdrukkelijk op deze bepaling had beroepen en een daarop gebaseerde vordering had ingesteld. 3.3.7 Op het vorenstaande stuiten alle klachten van het middel af. 3.4.1 Voor zover middel II in onderdeel 2.1.voortbouwt op middel I moet het delen in het lot daarvan. 3.4.2 Ook overigens kan dit middel niet tot cassatie leiden. Anders dan het middel veronderstelt, gaat het in deze procedure niet om de beantwoording van de vraag of een bepaald besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders nietig of vernietigbaar was, doch om de gebondenheid van Graphics aan bepaalde overeenkomsten in verband met de bevoegdheid van [betrokkene 1] haar te vertegenwoordigen. De curator heeft zich erop beroepen dat deze gebondenheid niet bestond en het hof heeft dit beroep, met aanvulling van de rechtsgronden, juist geacht. Art. 2:256 strekt ter bescherming van de belangen van de vennootschap en is niet, zoals [betrokkene 1] betoogt, alleen in het belang van de aandeelhouders geschreven. In geval van faillissement komt een beroep op het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid derhalve toe aan de curator. 3.5.1 Middel III keert zich met een reeks van klachten tegen het eindarrest van het hof. Deze klachten falen echter op grond van het navolgende. 3.5.2 Het middel ziet in de eerste plaats eraan voorbij dat de strekking van art. 2:256 - en van het daarop gebaseerde […]”

r.o. 3.3.6

“Ook overigens kan dit middel niet tot cassatie leiden. Anders dan het middel veronderstelt, gaat het in deze procedure niet om de beantwoording van de vraag of een bepaald besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders nietig of vernietigbaar was, doch om de gebondenheid van Graphics aan bepaalde overeenkomsten in verband met de bevoegdheid van [betrokkene 1] haar te vertegenwoordigen. De curator heeft zich erop beroepen dat deze gebondenheid niet bestond en het hof heeft dit beroep, met aanvulling van de rechtsgronden, juist geacht. Art. 2:256 strekt ter bescherming van de belangen van de vennootschap en is niet, zoals [betrokkene 1] betoogt, alleen in het belang van de aandeelhouders geschreven. In geval van faillissement komt een beroep op het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid derhalve toe aan de curator. 3.5.1 Middel III keert zich met een reeks van klachten tegen het eindarrest van het hof. Deze klachten falen echter op grond van het navolgende. 3.5.2 Het middel ziet in de eerste plaats eraan voorbij dat de strekking van art. 2:256 - en van het daarop gebaseerde art. 15 lid 3 van de statuten van Graphics - is te voorkomen dat de bestuurder bij zijn handelen zich (met name) laat leiden door zijn persoonlijk belang in plaats van (uitsluitend) het belang van de vennootschap dat hij heeft te dienen. Art. 2:256 is niet slechts van toepassing indien zeker is dat de betrokken rechtshandeling daadwerkelijk tot benadeling zal leiden. Van een tegenstrijdig […]”

r.o. 3.4.2

“Het middel ziet in de eerste plaats eraan voorbij dat de strekking van art. 2:256 - en van het daarop gebaseerde art. 15 lid 3 van de statuten van Graphics - is te voorkomen dat de bestuurder bij zijn handelen zich (met name) laat leiden door zijn persoonlijk belang in plaats van (uitsluitend) het belang van de vennootschap dat hij heeft te dienen. Art. 2:256 is niet slechts van toepassing indien zeker is dat de betrokken rechtshandeling daadwerkelijk tot benadeling zal leiden. Van een tegenstrijdig belang als bedoeld in deze bepaling kan voorts ook sprake zijn wanneer, zoals in dit geval, de directeur/enig aandeelhouder heeft gehandeld met een andere vennootschap waarbij hij nauw betrokken is. Niet noodzakelijk is dat de bestuurder van de vennootschap in privé bij de overeenkomst partij is. Een tegenstrijdig belang kan eveneens bestaan, wanneer de hoedanigheden van bestuurder/enig aandeelhouder van de beide vennootschappen die de transactie aangaan, in één persoon zijn verenigd. In dat geval lopen de belangen van de beide vennootschappen niet noodzakelijkerwijs samen en kan niet zonder meer worden aangenomen dat de aandeelhoudersvergadering het onbevoegde handelen van de bestuurder (stilzwijgend) heeft bekrachtigd, van welke bekrachtiging ook overigens in dit geding niet is gebleken. Uit de aan art. 2:256 ten grondslag liggende beschermingsgedachte volgt ten slotte dat bij het bestaan van een tegenstrijdig belang een uitdrukkelijk besluit van de aandeelhouders nodig is om […]”

r.o. 3.5.2

Gegevens

Bekend als
Duplicado
ECLI
ECLI:NL:HR:2004:AP4394
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
9 juli 2004
Datum publicatie
12 juli 2004
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:256 BW
Thema
Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 28 van 2004

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.