← Week 46

Hoge Raad · 18 november 2005

Enquête bij vermogensrechtelijk geschil over conversie preferente aandelen Unilever

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Houders van preferente aandelen van een beursgenoteerde vennootschap verzochten een enquête naar de uitgifte en de voorgenomen conversie van die aandelen. De vennootschap stelde dat het slechts een vermogensrechtelijk geschil betrof. De Hoge Raad oordeelt dat een enquête mogelijk is als het conflict mogelijk voortvloeit uit ernstig onzorgvuldig of laakbaar handelen. De bevoegdheid van de OK is discretionair en zij hoeft haar belangenafweging niet telkens uitgebreid te motiveren.

Kernoverwegingen

“In zijn beschikking van 10 januari 1990, nr. 21, NJ 1990, 466, heeft de Hoge Raad overwogen dat de wetgever blijkens de ontstaansgeschiedenis van de regeling van het enquêterecht, zoals deze is neergelegd in Boek 2 BW, als doeleinden van het enquêterecht niet slechts heeft beschouwd de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon, maar tevens de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid, terwijl bovendien van de mogelijkheid van de instelling van een enquête een preventieve werking zou kunnen uitgaan. Tot de doeleinden van het enquêterecht, zoals deze de wetgever voor ogen stonden, behoort niet de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard, noch het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. Wanneer het gaat om een geschil van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden, kan een enquêteverzoek niet worden toegewezen. Indien het verzoek niets inhoudt dat op die doeleinden betrekking heeft, zal dat verzoek niet-ontvankelijk zijn. Indien het wel op die doeleinden gerichte stellingen inhoudt, maar deze stellingen niet aannemelijk zijn, zal het verzoek weliswaar - indien ook overigens is voldaan aan hetgeen daartoe vereist is - ontvankelijk zijn, maar moeten worden afgewezen. 4.3 De […]”

r.o. 4.2

“De aan de ondernemingskamer gegeven bevoegdheid een enquête te bevelen is een discretionaire, dat wil zeggen dat bij de uitoefening van die bevoegdheid een afweging van de betrokken belangen dient plaats te vinden, met dien verstande dat voor toewijzing van een verzoek ingevolge art. 2:350 lid 1 BW slechts plaats is, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. De ondernemingskamer kan de bevoegdheid om een enquête te bevelen uiteraard slechts uitoefenen ten aanzien van het concrete aan haar voorgelegde verzoek. Dit brengt mee dat een door haar gemaakte belangenafweging moet steunen op feiten en omstandigheden zoals die zich voordoen in het haar voorgelegde geval (zie HR 20 november 1996, nr. 55, NJ 1997, 188). De ondernemingskamer zal bij deze belangenafweging, ook al heeft die plaats in een concreet geval, naast de hiervoor omschreven doeleinden van het enquêterecht mede de in 4.4.1 bedoelde bezwaren moeten betrekken, en de aard van het tussen de verzoeker en de rechtspersoon bestaande geschil in aanmerking moeten nemen. Er bestaat evenwel geen grond van de ondernemingskamer te vergen dat zij telkens in de motivering van haar beslissing tot uitdrukking brengt dat zij de bedoelde bezwaren in de beoordeling heeft betrokken. Daarbij is van belang dat de afweging van de bij die bezwaren betrokken meer algemene belangen tegen de in het concrete geval bestaande belangen zich veelal niet voor een gedetailleerde motivering leent. 4.4.3 Wat betreft het […]”

r.o. 4.4.2

“Wat betreft het in dit geding in het bijzonder naar voren gebrachte bezwaar dat het hier in wezen gaat om een beperkt en zuiver vermogensrechtelijk geschil tussen de verzoekers en de rechtspersoon dat niet bij de ondernemingskamer thuishoort, geldt evenzeer dat het niet in het algemeen leidt tot het stellen van bijzondere motiveringseisen. Daarbij is in aanmerking te nemen dat geschillen tussen aandeelhouders die een enquêteverzoek doen en de vennootschap veelal mede een vermogensrechtelijk karakter hebben, en dat de (geheel of ten dele) vermogensrechtelijke aard van het concrete geschil ook daarom een onvoldoende onderscheidend criterium vormt aan de hand waarvan beoordeeld zou kunnen worden of een bijzondere motivering is vereist. 5. Beoordeling van het middel 5.1.1 Tegen de achtergrond van het voorgaande wordt bij de beoordeling van het middel vooropgesteld dat de onderdelen 1 en 2 zich kennelijk niet slechts richten tegen rov. 3.3 en 3.4 van de bestreden beschikking, waarin de ondernemingskamer heeft geoordeeld dat [verweerder] c.s. in hun verzoek ontvankelijk zijn, maar mede tegen het oordeel dat dat verzoek ook toewijsbaar is. Voorzover de onderdelen de ontvankelijkheid van het verzoek aan de orde stellen geldt het volgende. 5.1.2 Onderdeel 1 klaagt dat de ondernemingskamer in haar rov. 3.4 miskent dat het verkrijgen van opening van zaken alleen doel van een enquête kan zijn, indien er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid van de gerekwestreerde […]”

r.o. 4.4.3

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2005:AU2465
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
18 november 2005
Datum publicatie
18 november 2005
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:344 BW, 2:350 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 46 van 2005

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.