Hoge Raad · 15 december 2006
Vof of arbeidsovereenkomst: gepasseerd bewijsaanbod over feitelijke gang van zaken en gelijkwaardigheid vennoten
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een buschauffeur had een vennootschapsakte voor een vof getekend, maar stelde dat feitelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst met zijn belangrijkste opdrachtgever. Het hof oordeelde dat een rechtsgeldige vof bestond en passeerde het bewijsaanbod over de feitelijke gang van zaken. De Hoge Raad vernietigt: de feitelijke gang van zaken en de (on)gelijkwaardigheid van de vennoten zijn van belang voor de vraag of iemand vennoot of werknemer is, ondanks de akte. De zaak wordt verwezen.
Kernoverwegingen
“[Eiser] heeft de hiervoor onder 1 vermelde vordering ingesteld, strekkende tot een verklaring voor recht dat hij van 1 mei 1995 (althans 1 augustus 1995) tot 1 juli 1997 op basis van een arbeidsovereenkomst chauffeurswerkzaamheden heeft verricht in dienst van primair [A1] B.V., subsidiair BBO, meer subsidiair [A2] B.V. en nog meer subsidiair [betrokkene 1]. Voorts vorderde hij, op de grondslag van bedoelde arbeidsovereenkomst, betaling van loon en emolumenten. De gedaagden voerden als verweer dat [eiser] als zelfstandig ondernemer werkzaam was en met hen samenwerkte in de vennootschap onder firma N.A.L. ; twee van de gedaagden, BBO en [A1] B.V., vorderden in reconventie een verklaring voor recht dat [eiser] als vennoot jegens hen hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van N.A.L. De kantonrechter heeft, overwegende dat hij niet bevoegd is te beoordelen of sprake is van een vennootschap onder firma, de zaak in reconventie verwezen naar de rechtbank en de zaak in conventie aangehouden totdat in reconventie zal zijn beslist. De rechtbank heeft de vordering van [A1] B.V. afgewezen en die van BBO toegewezen. De rechtbank oordeelde, kort gezegd, dat een rechtsgeldige vennootschap onder firma is totstandgekomen en dat [eiser] als vennoot jegens BBO hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van N.A.L. [Eiser] is met zijn derde grief opgekomen tegen dit oordeel van de rechtbank. Het hof heeft deze grief verworpen en heeft daartoe het volgende overwogen: "4.2. Het hof deelt […]”
r.o. 3.2
“Het middel klaagt dat het hof bij zijn beslissingen (i) dat [eiser] vennoot is geweest van N.A.L. v.o.f., (ii) dat van een hiërarchische verhouding tussen [A2] en andere tot de Langhoutgroep behorende vennootschappen en personen enerzijds en ieder van de "rijdende vennoten" - onder wie [eiser] - anderzijds niet is gebleken, en (iii) dat in ieder geval geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst als door [eiser] gesteld, geen aandacht heeft besteed aan het door [eiser] gedane bewijsaanbod. Volgens het middel is de impliciete beslissing van het hof om het door [eiser] gedane aanbod bewijs te leveren van "de gang van zaken binnen NAL v.o.f. en de afwezigheid van een gelijkwaardige verhouding tussen de rijdende vennoten en [betrokkene] c.s. in NAL v.o.f." te passeren, rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Het middel is terecht voorgesteld. Indien het hof van oordeel was dat het door [eiser] bij pleidooi in hoger beroep gedane aanbod bewijs te leveren van de feitelijke gang van zaken binnen N.A.L. en van de afwezigheid van gelijkwaardigheid tussen de vennoten niet ter zake dienend was, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat deze factoren van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of [eiser] in de periode van 1 mei 1995 (althans 1 augustus 1995) tot 1 juli 1997, niettegenstaande de door hem op 24 juli 1995 gesloten overeenkomst, geen vennoot was van N.A.L. maar werknemer van BBO. Indien het hof van de juiste […]”
r.o. 3.3