Hoge Raad · 14 september 2007
Enquête: onmiddellijke voorzieningen, tegenstrijdig belang commissarissen en code-Tabaksblat bij groepsmaatschappij
- Enquêterecht
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Minderheidsaandeelhouders van een beursvennootschap die groepsmaatschappij was geworden, verkregen bij de OK onmiddellijke voorzieningen: een verbod om van de code-Tabaksblat af te wijken en de benoeming van drie commissarissen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Hij laat de OK een ruime beoordelingsmarge. Voor tegenstrijdig belang is voldoende dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of commissarissen zich uitsluitend laten leiden door het belang van de vennootschap. De eisen van de code gelden ook voor een groepsmaatschappij, afhankelijk van de omstandigheden.
Kernoverwegingen
“Vooropgesteld moet worden dat ook bij het treffen van voorlopige voorzieningen in enquêteprocedures aan de ondernemingskamer, aan wie de afweging van de bij de zaak betrokken belangen is voorbehouden, een ruime beoordelingsmarge moet worden gelaten (vgl. HR 26 juni 1996, nr. OK 54, NJ 1996, 730). Voorts wordt, zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder nr. 3.5, het onderhavige geval hierdoor gekenmerkt (a) dat Versatel na een openbare bieding een groepsmaatschappij van Tele2 is geworden; (b)dat een deel van de aandeelhouders van Versatel zich tegen de op die bieding volgende fusie heeft verzet; (c) dat ten gevolge daarvan Versatel een groep van minderheidsaandeelhouders onder haar aandeelhouders heeft en (d) dat Versatel over de wijze waarop en voorwaarden waaronder hun aandeelhouderschap wordt beëindigd, dient te beslissen. In een dergelijk geval is aannemelijk dat het groepsbelang van Tele2 dat zij binnen Versatel wil effectueren, en het belang van de minderheidsaandeelhouders niet zonder meer samenvallen, en ligt het voor de hand dat de vrees bestaat dat dit laatste belang bij een samenstelling van de raad van commissarissen waarin Tele2 AB vooral met eigen functionarissen is vertegenwoordigd, onvoldoende tot zijn recht zal komen. 4.3 De ondernemingskamer heeft zich kennelijk mede laten leiden door de uit art. 2:8 BW voortvloeiende regel dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders en […]”
r.o. 4.2
“De ondernemingskamer heeft zich kennelijk mede laten leiden door de uit art. 2:8 BW voortvloeiende regel dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders en moet voorkomen dat ontoelaatbare verstrengeling van belangen ontstaat (vgl. HR 1 maart 2002, nr. OK 91, NJ 2002, 296). Het betoog van het onderdeel dat het geoorloofd en begrijpelijk is dat leden van het bestuur van een groepsmaatschappij van Tele2 AB tot commissaris bij Versatel worden benoemd en dat de commissarissen zich naar het vennootschappelijk belang hebben te richten, ziet eraan voorbij dat voor het aannemen van tegenstrijdige belangen in een geval als het onderhavige voldoende is dat de betrokken commissarissen te maken hebben met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of zij zich bij hun handelen uitsluitend laten leiden door het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, C06/041, RvdW 2007, 637). Op grond van het vorenoverwogene is het oordeel van de ondernemingskamer dat een dergelijke situatie zich in dit geval voordoet, niet onbegrijpelijk. De juistheid van dit oordeel kan in cassatie niet worden onderzocht, omdat het verweven is met waarderingen van feitelijke aard. De omstandigheid dat is voorgesteld naast de andere drie een commissaris te benoemen die geen functie vervult binnen de Tele2 Groep, noopt niet tot een ander oordeel. Onderdeel 1 faalt derhalve. 4.4 Onderdeel […]”
r.o. 4.3
“Hoewel het onderdeel terecht tot uitgangspunt neemt dat van de noodzaak van de door de ondernemingskamer op grond van art. 2:349a BW getroffen voorziening moet zijn gebleken (vgl. HR 19 oktober 2001, nr. OK 85, NJ 2002, 92), faalt het niettemin. De ondernemingskamer heeft niet geoordeeld dat in een geval als het onderhavige nimmer kan worden afgeweken van het bepaalde in III.6.2 van de code. Haar oordeel moet aldus worden verstaan dat uit het bepaalde in III.2.2, aanhef en onder f, van de code niet zonder meer mag worden afgeleid dat voor een groepsmaatschappij de in III.6 van de code bedoelde eisen niet gelden, doch dat zulks afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Naar het oordeel van de ondernemingskamer is sprake van zodanige omstandigheden dat in verband met de aanwezigheid van minderheidsaandeelhouders die weinig invloed kunnen uitoefenen op het beleid van de vennootschap, de eisen die in het algemeen gesteld worden aan het toezichthoudende orgaan van de rechtspersoon blijven gelden, ook al is Versatel een groepsmaatschappij. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. 4.6 Onderdeel 3 klaagt erover dat de ondernemingskamer geen aandacht heeft besteed aan de stellingen van Versatel omtrent het voorstel voor de benoeming van een commissaris die geen functie vervult binnen de Tele2 Groep, dan wel dat de ondernemingskamer dit voorstel in de door haar getroffen voorzieningen onvoldoende […]”
r.o. 4.5