← Week 11

Hoge Raad · 14 maart 2008

Lammers/Aerts q.q.

Faillissementsaansprakelijkheid indirect bestuurder van mede-beleidsbepaler: artikel 2:248 lid 7 en 2:11 BW

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een curator vorderde van de bestuurder van een bestuurder-rechtspersoon hoofdelijke aansprakelijkheid voor het boedeltekort. De Hoge Raad bevestigt dat artikel 2:11 BW ook van toepassing is wanneer de rechtspersoon als mede-beleidsbepaler aansprakelijk is op grond van artikel 2:248 lid 7 BW, en dat het hof de grondslag mocht laten aanvullen. Wegens een geslaagde klacht over de onverschuldigde betaling worden de arresten vernietigd en wordt de zaak verwezen.

Kernoverwegingen

“De oordelen van het hof die erop neerkomen dat op grond van de stellingen van partijen is komen vast te staan dat NVR door het handelen van [betrokkene 4], die [eiseres] gebruikte als "strovrouw" in het bestuur van NVR, is opgetreden als mede-beleidsbepaler, en dus als ware zij bestuurder van [A], getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Voor zover zij berusten op een aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden uitleg van de gedingstukken en waardering van feiten, miskennen de hiertegen aangevoerde klachten dat het toereikend en begrijpelijk gemotiveerde oordeel van het hof in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht. De onderdelen 2.1 tot en met 2.1.3, 2.2.1 en 2.2.2, die zich tegen dit oordeel keren, zijn daarom tevergeefs voorgesteld. 4.2 Onderdeel 2.2.3 keert zich tegen het oordeel van het hof dat, nu NVR is opgetreden als mede-beleidsbepaler van [A], [eiseres] als (indirect) bestuurder van NVR op grond van het bepaalde in art. 2:11 evenals NVR jegens de boedel aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden van [A] voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. Naar het onderdeel met een beroep op HR 28 april 2000, nr. C99/087, NJ 2000, 411 betoogt, miskent het hof aldus dat indien een rechtspersoon op grond van art. 2:248 lid 7 als mede-beleidsbepaler voor deze schulden aansprakelijk is, geen "doorbraak" op grond van art. 2:11 plaatsvindt naar de bestuurder van die […]”

r.o. 4.1

“Onderdeel 2.2.3 keert zich tegen het oordeel van het hof dat, nu NVR is opgetreden als mede-beleidsbepaler van [A], [eiseres] als (indirect) bestuurder van NVR op grond van het bepaalde in art. 2:11 evenals NVR jegens de boedel aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden van [A] voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. Naar het onderdeel met een beroep op HR 28 april 2000, nr. C99/087, NJ 2000, 411 betoogt, miskent het hof aldus dat indien een rechtspersoon op grond van art. 2:248 lid 7 als mede-beleidsbepaler voor deze schulden aansprakelijk is, geen "doorbraak" op grond van art. 2:11 plaatsvindt naar de bestuurder van die rechtspersoon. Het onderdeel faalt. Het ziet allereerst eraan voorbij dat in voormeld arrest, voor zover thans van belang, slechts is geoordeeld dat de aansprakelijkheid die art. 2:11 op de bestuurder van de aansprakelijke rechtspersoon legt, alleen op de formele bestuurder rust en niet op degene die het beleid van de aansprakelijke rechtspersoon (mede) heeft bepaald. Art. 2:248 lid 7 en art. 2:11 hebben voorts beide de strekking misbruik van rechtspersoonlijkheid te voorkomen. Voor de toepassing van art. 2:11 maakt het geen verschil of de ingevolge art. 2:248 aansprakelijke rechtspersoon formeel bestuurder dan wel beleidsbepaler is van de failliete vennootschap. Ook de wetsgeschiedenis van beide artikelen duidt erop dat art. 2:11 niet zo beperkt moet worden uitgelegd als het onderdeel bepleit (Kamerstukken II […]”

r.o. 4.2

“Het onderdeel faalt. Het hof heeft eerst vastgesteld dat NVR niet op grond van een rechtsgeldig genomen besluit is benoemd tot bestuurder van [A] en vervolgens overwogen dat uit de stellingen van partijen wel kan worden afgeleid dat NVR via [betrokkene 4] is opgetreden als mede-beleidsbepaler van [A]. Hieruit heeft het hof de conclusie getrokken dat voor toewijzing van de vordering van de curator de grondslag moet worden gevonden in art. 2:248 lid 7 in verbinding met lid 1 en/of lid 2 en art. 2:11 BW, doch dat de curator zijn vordering daarop niet heeft gebaseerd omdat hij meende dat NVR wél tot bestuurder was benoemd. Het hof heeft terecht overwogen dat het daarom de vordering niet op die grondslag mocht toewijzen, omdat het hof daarmee niet alleen, zoals het heeft onderkend, het beginsel van hoor en wederhoor zou hebben geschonden, maar ook omdat het daarmee buiten de rechtsstrijd van partijen zou zijn getreden. Het stond het hof echter, gelet op het verloop van het processuele debat, vrij de curator in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over een, zoals in dit geval voor de hand lag, op art. 2:248 lid 7 in verbinding met lid 1 en/of lid 2 en art. 2:11 BW te baseren aansprakelijkheid van [eiseres]. Daarbij verdient opmerking dat voor heropening van het partijdebat aanleiding werd gevonden in de omstandigheid dat inmiddels bij het getuigenverhoor feiten aan het licht waren gekomen die wezen op aansprakelijkheid op grond van een ander lid van dezelfde bepaling die al […]”

r.o. 4.3.2

Gegevens

Bekend als
Lammers/Aerts q.q.
ECLI
ECLI:NL:HR:2008:BC1231
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
14 maart 2008
Datum publicatie
14 maart 2008
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:248 BW, 2:11 BW, 2:238 BW, 6:203 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 11 van 2008

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.