← Week 12

Hoge Raad · 21 maart 2008

Nieuwe Steen Investments (Pinakel)

Tegenstrijdig belang bestuurder; statutaire vertegenwoordigingsbevoegdheid en artikel 2:256 BW; geen verjaring

  • Overig Boek 2
  • Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

De Hoge Raad oordeelt dat een statutaire bepaling die een bestuurder ook bij tegenstrijdig belang vertegenwoordigingsbevoegd maakt, de bestuurder bevoegd laat zolang de algemene vergadering van aandeelhouders geen andere vertegenwoordiger aanwijst. Een uitdrukkelijk aanwijzingsbesluit is dan niet vereist. Daarnaast overweegt de Hoge Raad dat een beroep op onbevoegde vertegenwoordiging bij tegenstrijdig belang niet onder de verjaring van artikel 3:52 BW valt, omdat de handeling niet vernietigbaar maar ongeldig is. Dat beroep kan wel onaanvaardbaar zijn naar redelijkheid en billijkheid.

Kernoverwegingen

“De onderdelen 1a en 1c klagen terecht dat het hof aldus heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Op grond van het hiervoor in 3.1 (iii) geciteerde art. 23 lid 2 van de statuten van Pinakel, was NSI ook bij het bestaan van een tegenstrijdig belang bevoegd Pinakel te vertegenwoordigen bij het geven van goedkeuring voor de schuldoverneming door Interglobia. Weliswaar kan een dergelijke bepaling niet aan de algemene vergadering van aandeelhouders de haar door de tweede zin van art. 2:256 BW verleende bevoegdheid ontnemen om in het geval van een tegenstrijdig belang een of meer andere personen aan te wijzen om de vennootschap te vertegenwoordigen, en rust op het bestuur van de vennootschap de plicht om de algemene vergadering zo tijdig te informeren over de aanwezigheid van een tegenstrijdig belang, dat deze in de gelegenheid is haar bevoegdheid uit te oefenen (vgl. HR 3 mei 2002, R00/110, NJ 2002, 393). Maar indien - zoals in dit geval, naar het hof in cassatie onbestreden in rov. 9 heeft vastgesteld - de algemene vergadering haar bevoegdheid om een andere vertegenwoordiger aan te wijzen niet uitoefent, blijft bevoegd degene die krachtens de statutaire bepaling in geval van een tegenstrijdig belang bevoegd is, in dit geval NSI als bestuurder. Anders dan van de zijde van Uoti wordt betoogd, brengt het dwingendrechtelijke karakter van de tweede zin van art. 2:256 niet mee dat de geldigheid van de door een statutaire bepaling aan de bestuurder verleende […]”

r.o. 3.4

“Dit betoog faalt want het bestreden oordeel is juist. Indien een bestuurder namens de vennootschap een rechtshandeling heeft verricht doch, anders dan het onderhavige geval, vanwege een tegenstrijdig belang onbevoegd was de vennootschap daarbij te vertegenwoordigen, leidt dit ertoe dat de vennootschap in beginsel niet aan de rechtshandeling is gebonden. In zoverre is de rechtshandeling ten opzichte van de vennootschap als ongeldig, of anders uitgedrukt: nietig, te beschouwen. Zij is dus niet vernietigbaar. In een dergelijk geval is dan ook geen sprake van een rechtsvordering tot vernietiging welke ingevolge (analogische toepassing van) art. 3:52 vatbaar is voor verjaring. 3.5.5. Bij het voorgaande dient niettemin in het oog te worden gehouden dat onder bijzondere omstandigheden de uitoefening door de vennootschap (veelal de curator in haar faillissement) van de bevoegdheid zich op de voet van art. 2:256 op de ongeldigheid van de onbevoegdelijk verrichte rechtshandeling te beroepen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan worden geacht, vanwege de ingrijpende gevolgen voor de wederpartij die aan een geslaagd beroep zijn verbonden, in aanmerking genomen het belang van het handelsverkeer en de strekking van art. 2:256. 3.6. Nu het middel slaagt kan de bestreden beschikking niet in stand blijven. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 oktober 2006; verwijst het geding naar het gerechtshof te […]”

r.o. 3.5.4

“Bij het voorgaande dient niettemin in het oog te worden gehouden dat onder bijzondere omstandigheden de uitoefening door de vennootschap (veelal de curator in haar faillissement) van de bevoegdheid zich op de voet van art. 2:256 op de ongeldigheid van de onbevoegdelijk verrichte rechtshandeling te beroepen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan worden geacht, vanwege de ingrijpende gevolgen voor de wederpartij die aan een geslaagd beroep zijn verbonden, in aanmerking genomen het belang van het handelsverkeer en de strekking van art. 2:256. 3.6. Nu het middel slaagt kan de bestreden beschikking niet in stand blijven. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 oktober 2006; verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt Uoti in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van NSI begroot op € 377,18 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 21 maart 2008.”

r.o. 3.5.5

Gegevens

Bekend als
Nieuwe Steen Investments (Pinakel)
ECLI
ECLI:NL:HR:2008:BC1849
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
21 maart 2008
Datum publicatie
21 maart 2008
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:256 BW, 3:52 BW
Thema
Overig Boek 2, Ontbinding, vereffening en turboliquidatie, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Aangesproken
["n.v.t."][0]
Weekoverzicht
Week 12 van 2008

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.