Hoge Raad · 29 februari 2008
Tegenstrijdig belang bestuurder artikel 124 WvKNA (oud) en artikel 2:146 BW; subrogatie
- Overig Boek 2
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een vennootschap werd door een derde aangesproken tot terugbetaling van voorgeschoten bedragen, onder meer op grond van een overeenkomst waarbij dezelfde persoon beide partijen vertegenwoordigde. De Hoge Raad oordeelt dat voor tegenstrijdig belang van een bestuurder (artikel 124 WvKNA oud, gelijk aan artikel 2:146 BW) geen nadeel voor de vennootschap vereist is. Voldoende is dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of de bestuurder zich uitsluitend door het belang van de vennootschap heeft laten leiden. Het vonnis wordt vernietigd en de zaak verwezen.
Kernoverwegingen
“Onderdeel 4 betoogt (onder 4.2) dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door (in rov. 5.8) te oordelen dat slechts sprake is van tegenstrijdige belangen indien blijkt dat de vennootschap als gevolg van de betrokken rechtshandeling enig nadeel dreigt te lijden. Dit onderdeel is gegrond. De strekking van het hier toepasselijke art. 124 WvKNA (oud) - dat (vrijwel) gelijk is aan art. 2:146 BW - is te voorkomen dat de bestuurder bij zijn handelen zich (met name) laat leiden door zijn persoonlijk belang in plaats van (uitsluitend) het belang van de vennootschap dat hij heeft te dienen. De bepaling strekt in de eerste plaats tot bescherming van het belang van de vennootschap door de bestuurder de bevoegdheid te ontzeggen de vennootschap te vertegenwoordigen als hij door de aanwezigheid van een persoonlijk belang of door zijn betrokkenheid bij een ander met dat van de rechtspersoon niet parallel lopend belang niet in staat moet worden geacht het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming te bewaken op een wijze die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder mag worden verwacht. Voor de toepassing van de bepaling is niet vereist dat de betrokken rechtshandeling daadwerkelijk tot benadeling van de vennootschap zal leiden, doch is voldoende dat de bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de vennootschap […]”
r.o. 3.5
“Onderdeel 5 klaagt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en/of ten onrechte de feitelijke grondslag van het verweer van [verweerster] heeft aangevuld door (in rov. 5.8) te oordelen dat de (nieuwe) directie van CBC geen voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de aandeelhouder behoefde voor het aangaan van de overeenkomst van 11 juli 2003. Ook deze klacht is gegrond nu de gedingstukken geen andere uitleg toelaten dan dat [verweerster] niet het verweer heeft gevoerd dat voor het aangaan van de overeenkomst die goedkeuring niet vereist was , doch - integendeel - slechts dat de aandeelhouder ([betrokkene 1]) die goedkeuring had gegeven. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 2 mei 2006; verwijst het geding naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van CBC gevallen en tot op heden begroot op € 364,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 29 februari 2008.”
r.o. 3.6