← Week 11

Hoge Raad · 14 maart 2008

Medezeggenschap joint venture; groepsbegrip WOR niet gelijk aan artikel 2:24a/24b BW

  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW
  • Zijdelings

Samenvatting

De centrale ondernemingsraad wilde dat een joint venture, waarin de moedermaatschappij 51% van de aandelen hield, in de centrale ondernemingsraad werd vertegenwoordigd. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep: bij een joint venture gaat het erom wie overwegende zeggenschap heeft. De juridische en economische groepsbegrippen uit artikel 2:24a en 2:24b BW zijn voor de uitleg van artikel 33 lid 3 WOR niet beslissend.

Kernoverwegingen

“Anders dan het onderdeel aanvoert, heeft het hof bij zijn uitleg van het begrip "in een groep verbonden ondernemers" in art. 33 lid 3 WOR en de toepassing daarvan op de onderhavige joint venture geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent dit begrip, waarvan de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis bewust geen nadere wettelijke omschrijving heeft gegeven. Het hof is terecht ervan uitgegaan dat in beginsel een deelneming voor meer dan 50% in het geplaatste kapitaal tot groepsverbondenheid in evenbedoelde zin zal leiden omdat in dat geval de zeggenschap naar eigen inzicht door de meerderheidsaandeelhouder kan worden bepaald. Het hof heeft eveneens terecht overwogen dat wanneer de aandelen in de vennootschap volgens een onderlinge regeling tot samenwerking worden gehouden, de joint venture in een groep verbonden is met die rechtspersoon die de overwegende zeggenschap heeft. Aldus wordt bereikt dat de uitoefening van medezeggenschapsrechten daar plaats vindt waar in overwegende mate zeggenschap over de joint venture bestaat. Indien geen van de deelnemende partners overwegende zeggenschap in de joint venture heeft dan behoort deze joint venture noch tot de groep van de ene noch tot de groep van de andere partner. 3.4.4 Bij het voorgaande verdient aantekening dat het hof bij de uitleg van het begrip "in een groep verbonden ondernemers" geen aansluiting behoefde te zoeken bij het juridische groepsbegrip van art. 2:24a BW, dan wel bij het economische groepsbegrip van […]”

r.o. 3.4.3

“Bij het voorgaande verdient aantekening dat het hof bij de uitleg van het begrip "in een groep verbonden ondernemers" geen aansluiting behoefde te zoeken bij het juridische groepsbegrip van art. 2:24a BW, dan wel bij het economische groepsbegrip van art. 2:24b BW, omdat, zoals hiervoor vermeld, de wetgever een nadere wettelijke omschrijving van het in art. 33 lid 3 WOR bedoelde begrip "in een groep verbonden ondernemers" bewust achterwege heeft gelaten, en ook later geen aanleiding heeft gevonden voor het geven van een nadere omschrijving. 3.4.5 Het voorgaande brengt mee dat het hof terecht niet heeft volstaan met de constatering dat TNT een belang van 51% in Cendris BSC heeft, maar aan de hand van de overige omstandigheden van het geval heeft onderzocht of hier niettemin sprake is van een geval waarin TNT geen overwegende zeggenschap in de joint venture heeft. Het oordeel (in rov. 8) dat TNT in dit geval geen overwegende zeggenschap in de joint venture Cendris BSC heeft, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie verder niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering dan door het hof gegeven. 3.5 Nu het hof, blijkens het vorenstaande tevergeefs in cassatie bestreden, heeft geoordeeld dat geen sprake is van in een groep verbonden ondernemers, behoefde het, anders dan onderdeel 3 betoogt, niet te onderzoeken of toelating van Cendris BSC […]”

r.o. 3.4.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2008:BC2202
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
14 maart 2008
Datum publicatie
14 maart 2008
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:24a BW, 2:24b BW
Thema
Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 11 van 2008

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.