Hoge Raad · 26 juni 2009
Enquête KPNQwest: OK mag onderzoek stopzetten bij ontbreken financiële middelen
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Na een bevolen enquête ontbrak het grootste deel van de financiering voor het onderzoek. De OK besloot de procedure te beëindigen, tenzij binnen een gestelde termijn het volledige begrote bedrag beschikbaar zou worden gesteld. De Hoge Raad oordeelt dat de OK bevoegd is een bevolen onderzoek niet te laten doorgaan als de benodigde middelen ontbreken en dat zij een termijn voor zekerheidstelling mag bepalen. Het cassatieberoep tegen brieven van de OK-secretaris is niet-ontvankelijk.
Kernoverwegingen
“Voorzover het cassatieberoep van Qwest c.s. is gericht tegen de hiervoor in 1 vermelde brieven van de secretaris van de ondernemingskamer, dienen zij daarin niet-ontvankelijk verklaard te worden. Deze brieven bevatten geen beslissingen die ingrijpen in de rechten van partijen, doch zij dienen alleen ter bevordering van een ordelijk verloop van de procedure en met name van het processuele debat dat is ontstaan over het al dan niet doorgang kunnen vinden van het door de ondernemingskamer bevolen onderzoek. Daarover heeft de ondernemingskamer pas in haar beschikking van 21 augustus 2008 een beslissing genomen. 3.2 De ondernemingskamer heeft geoordeeld dat, nu naar de stand van zaken op 21 augustus 2008 onvoldoende financiële basis bestond om het onderzoek een aanvang te laten nemen en niet was gebleken dat de nog ontbrekende gelden (€ 250.000,-- exclusief omzetbelasting) binnen afzienbare tijd ter beschikking zouden worden gesteld, het aanwijzen van onderzoekers achterwege diende te blijven. Immers, aldus de ondernemingskamer, bij de huidige stand van zaken moet worden aangenomen dat een aan te vangen onderzoek niet in de bevolen omvang kan worden uitgevoerd, dan wel niet met die diepgang of grondigheid kan worden uitgevoerd als wenselijk is. Bij de beoordeling van het verzoek het onderzoek te beëindigen heeft zij vervolgens vooropgesteld dat het in beginsel onaanvaardbaar is dat de betrokkenen bij een procedure als de onderhavige lange tijd en zonder dat enig uitzicht bestaat […]”
r.o. 3.1
“Terecht heeft de ondernemingskamer aangenomen dat zij bevoegd is om, indien moet worden aangenomen dat een door haar bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon bij gebreke van de daartoe noodzakelijke middelen niet zal kunnen worden uitgevoerd, te beslissen dat dit onderzoek geen doorgang zal vinden. Uitgangspunt bij het gelasten van een dergelijk onderzoek is immers dat de benodigde gelden beschikbaar zullen komen. De ondernemingskamer kan die beslissing nemen zonder terug te komen van haar beslissing dat voldoende gronden bestaan om een onderzoek te bevelen. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat het uit een oogpunt van proceseconomie de voorkeur verdient eerst dan een onderzoek te bevelen wanneer zeker is gesteld dat de daarvoor benodigde gelden beschikbaar zijn, maar of dit het geval is hangt af van een feitelijke waardering die aan de ondernemingskamer als rechter die over de feiten oordeelt, is voorbehouden. 3.4 Het staat de ondernemingskamer vrij een periode te bepalen waarbinnen de door haar verlangde zekerheid omtrent het beschikbaar komen van het benodigde geld voor het onderzoek nog kan plaatsvinden en de beëindiging van de procedure van het uitblijven daarvan afhankelijk te stellen om te bereiken dat aldus voor betrokkenen, die daarom hebben gevraagd, duidelijk wordt of de procedure en het bevolen onderzoek doorgang kunnen vinden. De ondernemingskamer dient als deze vraag zich voordoet aan de hand van de omstandigheden, […]”
r.o. 3.3
“Het staat de ondernemingskamer vrij een periode te bepalen waarbinnen de door haar verlangde zekerheid omtrent het beschikbaar komen van het benodigde geld voor het onderzoek nog kan plaatsvinden en de beëindiging van de procedure van het uitblijven daarvan afhankelijk te stellen om te bereiken dat aldus voor betrokkenen, die daarom hebben gevraagd, duidelijk wordt of de procedure en het bevolen onderzoek doorgang kunnen vinden. De ondernemingskamer dient als deze vraag zich voordoet aan de hand van de omstandigheden, waaronder de aard en het belang van het onderzoek, en de ingewikkeldheid en de urgentie daarvan, te bepalen of en, zo ja, binnen welke termijn de fondsen voor de kosten van het onderzoek moeten worden verschaft. De ondernemingskamer heeft in het onderhavige geval voldoende tot uitdrukking gebracht dat zij rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden, waaronder de opstelling van curatoren, het belang van het onderzoek en de hoogte van het benodigde bedrag voor de dekking van de kosten van het onderzoek. 3.5 De bestreden beschikking geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zij is toereikend en voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Op al het vorenstaande stuiten de middelen in beide beroepen af. 4. Beslissing De Hoge Raad: in het principale beroep: verklaart Qwest c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep voor zover dit is gericht tegen de brieven van de secretaris van de ondernemingskamer van 13 februari 2007, 14 december 2007 en 11 april 2008; […]”
r.o. 3.4