← Week 41

Hoge Raad · 9 oktober 2009

Tegenstrijdig belang bestuurder en vereiste uitdrukkelijk aanwijzingsbesluit artikel 2:256 BW

  • Overig Boek 2
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een curator stelt dat een failliete vennootschap niet is gebonden aan een geldlening en pandrechten, omdat de bestuurder bij tegenstrijdig belang zonder uitdrukkelijk aanwijzingsbesluit van de aandeelhouders optrad. De Hoge Raad bevestigt de maatstaf voor tegenstrijdig belang en dat in beginsel een uitdrukkelijk besluit nodig is, ook bij een enig aandeelhouder. In bijzondere omstandigheden kan voorafgaande ondubbelzinnige instemming volstaan; het hof is daar ten onrechte zonder motivering aan voorbijgegaan, zodat het arrest wordt vernietigd.

Kernoverwegingen

“Onderdeel 1.1 neemt terecht tot uitgangspunt dat de maatstaf voor het bestaan van tegenstrijdig belang als bedoeld in art. 2:256 BW is of de betrokken bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de vennootschap en de aan haar verbonden onderneming, welke vraag slechts kan worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval (vgl. HR 29 juni 2007, nr. C06/041, LJN BA0033, NJ 2007, 420). Het onderdeel klaagt dat het hof in rov. 4.4 niet kenbaar deze maatstaf heeft toegepast en niet heeft vastgesteld dat de daarin genoemde omstandigheden van zodanige invloed kunnen zijn geweest dat [betrokkene 2] zich niet in staat had mogen achten het belang van [A] B.V. en haar onderneming met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen en zich daarom van het sluiten van de overeenkomst van geldlening en het verschaffen van zekerheidsrechten had moeten onthouden. Dit onderdeel slaagt niet. Hoewel het hof de bedoelde maatstaf niet uitdrukkelijk heeft genoemd, voldoet hetgeen het hof heeft overwogen aan deze maatstaf. Het hof heeft immers vastgesteld dat [betrokkene 2] (indirect) optrad als zowel de financier van de in financiële problemen verkerende vennootschap [A] B.V. alsook namens die vennootschap, terwijl het door Bovast aan [A] B.V. uitgeleende bedrag een pensioenvoorziening vormde voor [betrokkene 2] […]”

r.o. 3.4.2

“De in het onderdeel genoemde omstandigheden heeft het hof kennelijk niet voldoende relevant geacht. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op het door het hof vastgestelde optreden van [betrokkene 2] als de financier van de in financiële problemen verkerende vennootschap en diens optreden namens die vennootschap, met de pensioenvoorziening van [betrokkene 2] privé als financieringsbron, en de in een zodanig geval in het oog springende tegengestelde belangen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat art. 2:256 ertoe strekt te voorkomen dat de bestuurder bij zijn handelen zich (met name) laat leiden door zijn persoonlijk belang in plaats van (uitsluitend) het belang van de vennootschap dat hij heeft te dienen en dat het dus erom gaat te beoordelen of in redelijkheid kan worden betwijfeld of de betrokken bestuurder zich bij zijn besluitvorming uitsluitend heeft laten leiden door het belang van die vennootschap. Hetgeen is aangevoerd - dat erop neerkomt dat [betrokkene 2], achteraf gezien, de belangen van [A] B.V. behoorlijk heeft behartigd - behoefde het hof niet ervan te weerhouden te oordelen dat in de gegeven omstandigheden voldoende redelijke twijfel bestond of [betrokkene 2] zich destijds uitsluitend heeft laten leiden door het belang van [A] B.V. 3.4.6 In onderdeel 1.4 wordt betoogd dat het hof heeft miskend dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een tegenstrijdig belang mede betekenis toekomt aan de omstandigheden dat [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] de […]”

r.o. 3.4.5

“Onderdeel 2.1 berust op de opvatting dat bij het bestaan van een tegenstrijdig belang een uitdrukkelijk aandeelhoudersbesluit niet is vereist in het geval sprake is van één aandeelhouder die tevens enig bestuurder is. Daargelaten dat in het onderhavige geval (indirect) bestuurder (Slifosco) en aandeelhouder ([betrokkene 1]) van [A] B.V. niet in een persoon zijn verenigd, kan deze opvatting in haar algemeenheid niet worden aanvaard. Uit de aan art. 2:256 ten grondslag liggende beschermingsgedachte volgt dat bij het bestaan van een tegenstrijdig belang een uitdrukkelijk besluit van de aandeelhouders nodig is om een bijzondere vertegenwoordiger aan te wijzen. 3.5.3 Het voorgaande neemt niet weg dat onder bijzondere omstandigheden met deze beschermingsgedachte niet in strijd behoeft te zijn dat aan het enkele ontbreken van een formeel aanwijzingsbesluit van de aandeelhouders niet het gevolg wordt verbonden dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de betrokken bestuurder ontbreekt. Daarvan zal sprake kunnen zijn als onmiskenbaar duidelijk is dat de aandeelhouders de mogelijkheid van het bestaan van een tegenstrijdig belang onder ogen hebben gezien en tevoren ondubbelzinnig hebben ingestemd met het optreden van de betrokken bestuurder als (bijzondere) vertegenwoordiger van de vennootschap. 3.5.4 Bovast heeft zich, naar in onderdeel 2.2 wordt aangevoerd, ten gunste van haar standpunt dat het enkele ontbreken van een formeel aanwijzingsbesluit niet in de weg staat aan het aannemen […]”

r.o. 3.5.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2009:BI7129
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
9 oktober 2009
Datum publicatie
9 oktober 2009
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:256 BW, 6:127 BW
Thema
Overig Boek 2, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 41 van 2009

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.