Hoge Raad · 19 februari 2010
Bevoegdheden van door de rechter benoemde tijdelijk bestuurder van stichting
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een door de rechter benoemde tijdelijk bestuurder van een stichting heeft, tenzij de rechter anders bepaalt, alle wettelijke en statutaire bevoegdheden, ook om bestuurders te benoemen en te ontslaan. Moet hij terughoudend zijn, dan leidt overschrijding daarvan niet tot nietigheid op grond van artikel 2:14 BW, maar hooguit tot vernietigbaarheid binnen de termijn van artikel 2:15 BW. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Bij de beoordeling van onderdeel 1 is, in cassatie onbestreden, uitgangspunt dat een op de voet van art. 2:298 lid 2 BW door de rechter te treffen voorlopige voorziening kan inhouden dat een tijdelijke bestuurder van de stichting wordt benoemd. Bij de uitleg van deze bepaling kan aansluiting worden gezocht bij het bepaalde in art. 2:22 BW en de regeling van een onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a BW dan wel die van de voorzieningen van art. 2:356 BW in verbinding met art. 2:357 lid 2 en 3 BW. 3.5.2 De benoeming van een tijdelijke bestuurder zal, tenzij de rechter anders heeft bepaald, tot gevolg hebben dat deze bestuurder voor de duur van zijn benoeming alle bevoegdheden heeft die de wet en de statuten aan de bestuurder(s) van de desbetreffende stichting toekennen. In het onderhavige geval heeft de rechtbank dit nog eens uitdrukkelijk in haar beschikking bepaald. Bestuursbesluiten waaraan de tijdelijke bestuurder heeft deelgenomen, zijn niet op grond van art. 2:14 lid 1 BW wegens onbevoegdheid van die bestuurder nietig. 3.5.3 Het hiervoor in 3.3 onder a) bedoelde oordeel van het hof is dus juist. 3.6.1 Een op de voet van art. 2:298 lid 2 benoemde bestuurder behoort van zijn bevoegdheden in zoverre een terughoudend gebruik te maken dat hij in beginsel niet meer doet dan past bij de hem als tijdelijke bestuurder opgedragen taak en in de gegeven omstandigheden noodzakelijk is voor een behoorlijk bestuur van de stichting. Dit kan betekenen dat de tijdelijke […]”
r.o. 3.5.1
“De benoeming van een tijdelijke bestuurder zal, tenzij de rechter anders heeft bepaald, tot gevolg hebben dat deze bestuurder voor de duur van zijn benoeming alle bevoegdheden heeft die de wet en de statuten aan de bestuurder(s) van de desbetreffende stichting toekennen. In het onderhavige geval heeft de rechtbank dit nog eens uitdrukkelijk in haar beschikking bepaald. Bestuursbesluiten waaraan de tijdelijke bestuurder heeft deelgenomen, zijn niet op grond van art. 2:14 lid 1 BW wegens onbevoegdheid van die bestuurder nietig. 3.5.3 Het hiervoor in 3.3 onder a) bedoelde oordeel van het hof is dus juist. 3.6.1 Een op de voet van art. 2:298 lid 2 benoemde bestuurder behoort van zijn bevoegdheden in zoverre een terughoudend gebruik te maken dat hij in beginsel niet meer doet dan past bij de hem als tijdelijke bestuurder opgedragen taak en in de gegeven omstandigheden noodzakelijk is voor een behoorlijk bestuur van de stichting. Dit kan betekenen dat de tijdelijke bestuurder zich moet beperken tot besluiten die geen uitstel kunnen verdragen, maar de in het onderdeel bepleite opvatting dat een tijdelijke bestuurder zich - behoudens bijzondere omstandigheden - steeds daartoe dient te beperken, kan in haar algemeenheid niet als juist worden aanvaard. 3.6.2 Als een tijdelijke bestuurder besluiten heeft genomen waartoe hij weliswaar bevoegd is, doch die verder gaan dan past bij de rol van tijdelijke bestuurder als hiervoor bedoeld, zijn deze besluiten niet op de voet van art. 2:14 BW […]”
r.o. 3.5.2
“Een op de voet van art. 2:298 lid 2 benoemde bestuurder behoort van zijn bevoegdheden in zoverre een terughoudend gebruik te maken dat hij in beginsel niet meer doet dan past bij de hem als tijdelijke bestuurder opgedragen taak en in de gegeven omstandigheden noodzakelijk is voor een behoorlijk bestuur van de stichting. Dit kan betekenen dat de tijdelijke bestuurder zich moet beperken tot besluiten die geen uitstel kunnen verdragen, maar de in het onderdeel bepleite opvatting dat een tijdelijke bestuurder zich - behoudens bijzondere omstandigheden - steeds daartoe dient te beperken, kan in haar algemeenheid niet als juist worden aanvaard. 3.6.2 Als een tijdelijke bestuurder besluiten heeft genomen waartoe hij weliswaar bevoegd is, doch die verder gaan dan past bij de rol van tijdelijke bestuurder als hiervoor bedoeld, zijn deze besluiten niet op de voet van art. 2:14 BW nietig. Het hof heeft vastgesteld dat ook niet binnen de in art. 2:15 lid 5 BW bepaalde termijn tegen de gewraakte besluiten is opgekomen. 3.6.3 Nu de klachten van onderdeel 1 uitgaan van een andere, blijkens het vorenstaande: onjuiste, rechtsopvatting, kunnen zij niet tot cassatie leiden. 3.7 Onderdeel 2 strekt ten betoge dat het hof heeft miskend dat het benoemen van nieuwe bestuurders door een tijdelijke bestuurder in strijd is met (de strekking en systematiek van) art. 2:298 BW en art. 2:8 BW, met welke strekking niet verenigbaar is dat een tijdelijke bestuurder besluiten neemt waardoor de door de rechter […]”
r.o. 3.6.1