← Week 15

Hoge Raad · 16 april 2010

Afwaardering vordering op failliete debiteur in jaarrekening; artikel 2:362 lid 6 en 2:384 lid 2 BW

  • Jaarrekening
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een aandeelhoudster wilde de jaarrekening over 2001 van de vennootschap laten wijzigen omdat een vordering op een failliete debiteur tot nihil had moeten worden afgewaardeerd. De OK wees dit af omdat verhaal op de bestuurder van de debiteur niet was uitgesloten. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep: artikel 2:362 lid 6 BW en het voorzichtigheidsbeginsel van artikel 2:384 lid 2 BW zijn niet geschonden.

Kernoverwegingen

“Het middel faalt. De jaarrekening wordt ingevolge art. 2:362 lid 6 BW vastgesteld met inachtneming van hetgeen omtrent de financiële toestand op de balansdatum is gebleken tussen het opmaken van de jaarrekening en de algemene vergadering waarin zij wordt behandeld, voor zover zulks onontbeerlijk is voor het in lid 1 van die bepaling bedoelde inzicht. Blijkens de weergave in het faxbericht van 28 september 2004 van het gesprek van 20 augustus 2004 van de advocaat van [eiseres] in feitelijke aanleg met de accountant van [verweerster] (bijlage IV van productie 3 bij akte na deskundigenverhoor, ook genoemd onder 17 van de cassatiedagvaarding), stelde de accountant zich op het standpunt, zakelijk weergegeven, dat de vordering op [A] niet tot nihil behoefde te worden afgewaardeerd omdat de curator van [A] in een gerechtelijke procedure erin zou kunnen slagen door het stellen van een benadelingshandeling een bepaald bedrag voor de failliete boedel te incasseren. Met de gewraakte overweging heeft de ondernemingskamer tot uitdrukking gebracht dat [verweerster] in de gegeven omstandigheden aan de - vóór de vaststelling van de jaarrekening klaarblijkelijk reeds door [verweerster] veronderstelde - aansprakelijkheid van [betrokkene] voor het faillissement van [A] en diens verplichting om in het faillissement het tekort aan te zuiveren voor zover dit is toe te schrijven aan de periode vóór 10 januari 2001, heeft kunnen ontlenen dat het faillissement geen aanleiding vormde de vordering […]”

r.o. 3.4.2

“Het middel berust op een opvatting omtrent de betekenis van het voorzichtigheidsbeginsel voor gevallen als de onderhavige die in haar algemeenheid niet juist is. Dat, zoals in art. 2:384 lid 2 BW is bepaald, mogelijke verliezen die hun oorsprong vinden vóór het einde van het boekjaar in acht genomen kunnen worden indien zij vóór het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden, brengt nog niet mee dat een vordering dient te worden afgewaardeerd als ernstig rekening moet worden gehouden met de kans dat verhaal geheel of gedeeltelijk onmogelijk zal blijken te zijn. Door te onderzoeken of in de gegeven omstandigheden is komen vast te staan dat verhaal van de vordering in redelijkheid al of niet is uitgesloten, heeft de ondernemingskamer het voorzichtigheidsbeginsel niet miskend. Op het voorgaande stuiten de klachten van het middel af. 3.6.1 Middel 3 komt met motiveringsklachten op tegen het slot van rov. 3.8, waarin de ondernemingskamer overweegt dat, nu door [eiseres] niet is gesteld en ook overigens niet is gebleken dat [betrokkene] geen verhaal biedt of dat de curator van [A] om een andere reden niet in staat zal zijn de vordering van [verweerster] te voldoen, er geen gronden zijn voor het oordeel dat de vordering in verband met de niet-gegoedheid van de schuldenaar zou moeten worden afgewaardeerd. 3.6.2 Voor zover het middel steunt op feiten die in dit proces niet eerder zijn gesteld, kan het middel niet tot cassatie leiden omdat het gaat om feiten die niet voor het […]”

r.o. 3.5.2

“Voor zover het middel steunt op feiten die in dit proces niet eerder zijn gesteld, kan het middel niet tot cassatie leiden omdat het gaat om feiten die niet voor het eerst in cassatie kunnen worden aangevoerd, daar zij een onderzoek van feitelijke aard zouden vereisen. Voor het overige faalt het middel. De ondernemingskamer, waaraan de uitleg van de gedingstukken is voorbehouden, heeft geoordeeld dat hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd geen grond oplevert de vordering wegens de niet-gegoedheid van [A] af te waarderen. Dat feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 16 april 2010.”

r.o. 3.6.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2010:BL5416
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
16 april 2010
Datum publicatie
16 april 2010
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:362 BW, 2:384 BW, 2:393 BW
Thema
Jaarrekening
Weekoverzicht
Week 15 van 2010

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.