← Week 36

Hoge Raad · 10 september 2010

Enquête: afwijzing wanbeleid na beperkt onderzoek; geen plicht tot heropening onderzoek

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Na een enquête bij een inmiddels failliete vennootschap verzochten een beleggersvereniging en andere verzoekers de OK wanbeleid vast te stellen. De OK wees dit af omdat het onderzoek door een te beperkt budget te beperkt was. De Hoge Raad bevestigt dat wanbeleid alleen kan worden vastgesteld als het onderzoek het beleid over een voldoende ruime periode en voldoende volledig in beeld brengt. Hij oordeelt ook dat de bevoegdheden van de OK om bij een onvolledig onderzoek bescheiden op te vragen, de onderzoeker te horen of het onderzoek te heropenen discretionair zijn, zodat er geen plicht is om ze te gebruiken.

Kernoverwegingen

“Waar LCI ten tijde van de beslissingen van de ondernemingskamer al enige jaren in staat van faillissement verkeerde, ging het hier niet om een enquête met het doel van sanering en herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van LCI, doch ging het slechts om het verkrijgen van openheid van zaken. In overeenstemming hiermee waren de in de tweede fase van de procedure aan de ondernemingskamer gedane verzoeken dan ook slechts gericht op het vaststellen van wanbeleid en van de verantwoordelijkheid daarvoor en niet op het treffen van een of meer van de in art. 2:356 BW genoemde voorzieningen. De ondernemingskamer heeft terecht de constatering dat sprake was van wanbeleid als vèrgaand aangemerkt en is met juistheid ervan uitgegaan dat daartoe slechts kan worden overgegaan indien het onderzoek de gang van zaken en het beleid van de vennootschap over een voldoende ruime periode en met voldoende volledigheid in beeld heeft gebracht. Voorkomen moet worden dat door een te beperkt onderzoek feiten en omstandigheden aan de aandacht ontsnappen, die meebrengen dat bepaalde, bij geïsoleerde beschouwing op wanbeleid wijzende, feiten en handelingen toch niet als wanbeleid kunnen worden aangemerkt. Het is aan de ondernemingskamer om te beoordelen welke eisen in dit opzicht aan het onderzoek moeten worden gesteld. Het oordeel van de ondernemingskamer dat het op grond van het beperkte onderzoek tot stand gekomen verslag slechts een zodanig […]”

r.o. 3.4.2

“Het onderdeel doet een beroep op HR 8 april 2005, nr. R04/005, LJN AS5010, NJ 2006, 443, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat, indien aan de ondernemingskamer uit het debat dat tussen partijen wordt gevoerd na deponering van het verslag van onderzoekers ter griffie, of ambtshalve, blijkt dat het onderzoek niet volledig is geweest, zij partijen kan vragen op de zaak betrekking hebbende bescheiden in het geding te brengen, dan wel de onderzoeker(s) kan vragen aanwezig te zijn tijdens de mondelinge behandeling van de zaak om een toelichting te geven op het verslag of om een oordeel te geven over stellingen van feitelijke aard die partijen inmiddels naar voren hebben gebracht, en dat de ondernemingskamer in zo'n geval voorts bevoegd is, ook ambtshalve, bij tussenbeschikking te gelasten dat het onderzoek wordt heropend. Het gaat hier echter om discretionaire bevoegdheden. Voor een op de ondernemingskamer rustende verplichting om van deze bevoegdheden gebruik te maken biedt de wet geen grond, ook niet in de zich in dit geval voordoende omstandigheden waarop het onderdeel een beroep doet. Ook voor de subsidiair aangevoerde verplichtingen biedt de wet geen grond. Tenzij het debat tussen partijen hiertoe noopt, is de ondernemingskamer ook niet gehouden om te motiveren waarom zij van deze bevoegdheden geen gebruik maakt. Het onderdeel doet geen beroep op stellingen in de gedingstukken, die de ondernemingskamer in haar motivering had moeten betrekken. Het onderdeel faalt. 3.6 De in […]”

r.o. 3.5.2

“De afwijzing van het hiervóór in 3.1.5 onder (2) weergegeven verzoek wordt gedragen door de vaststelling in rov. 3.12 dat de afwijzing van het verzoek vast te stellen dat sprake is van wanbeleid bij en van LCI, meebrengt dat aan het aanwijzen van voor wanbeleid verantwoordelijke (individuele leden van) organen niet wordt toegekomen. Hetgeen de ondernemingskamer verder heeft overwogen in rov. 3.12 is ten overvloede gegeven. Het tegen deze overwegingen gerichte onderdeel 7.9 kan derhalve niet tot cassatie leiden. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt VEB c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] en [verweerder] c.s. tezamen begroot op € 358,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris. Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 10 september 2010.”

r.o. 3.7

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2010:BM6078
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
10 september 2010
Datum publicatie
10 september 2010
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:356 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 36 van 2010

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.