Hoge Raad · 21 januari 2011
Beklemd vermogen artikel 2:18 lid 6 BW na omzetting pensioenstichting in NV; jaarrekening
- Jaarrekening
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een belangenstichting van havenpensioengerechtigden vroeg in een jaarrekeningprocedure om aanpassing van jaarrekeningen van een verzekeringsconcern en twee dochters, in verband met het vermogen van een in 1997 in een NV omgezette pensioenstichting. De Hoge Raad oordeelt dat het beklemde vermogen van artikel 2:18 lid 6 BW het gesaldeerde eigen vermogen op het moment van omzetting (met vruchten) is, niet de afzonderlijke activa en passiva. Presentatie als onderdeel van het eigen vermogen is toegestaan. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“De ondernemingskamer heeft geoordeeld dat het beklemde vermogen van Optas Pensioenen wordt gevormd door het eigen vermogen van Stichting PVH onmiddellijk voor haar omzetting, vermeerderd met de toegevoegde waardeverschillen als gevolg van een aantal stelselwijzigingen. Aldus heeft de ondernemingskamer aangenomen dat dit doelvermogen bestaat uit het saldo van alle vermogensbestanddelen op het moment van omzetting, en dat dit (gefixeerde) bedrag het vermogen is ten aanzien waarvan uit de statuten moet blijken dat het slechts met toestemming van de rechter anders mag worden besteed dan vóór de omzetting was voorgeschreven. De klacht gaat uit van de opvatting dat de in art. 2:18 lid 6 voorgeschreven wettelijke beklemming steeds of ten minste in het onderhavige geval dient te rusten op alle (individuele) activa en passiva van de omgezette stichting. Die opvatting is onjuist. Tekst noch strekking van dit voorschrift nopen tot een dergelijke strikte opvatting. Ook in de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is daarvoor geen aanknopingspunt te vinden. Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1982-1983, 17 725, nr. 3, p. 64) werd het voordien geldende art. 2:20 lid 3 BW, waarin was bepaald dat gedurende tien jaren na de omzetting een besluit tot ontbinding slechts geldig was, wanneer de bestemming van het batig saldo der vereffening door de minister van Justitie was goedgekeurd, minder doeltreffend geacht wegens de beperking tot tien jaar en omdat bijvoorbeeld een […]”
r.o. 3.3.4
“De ondernemingskamer heeft met juistheid geoordeeld dat ingevolge art. 2:18 lid 6, eerste volzin, de wettelijke beklemming van het vermogen van Stichting PVH enkel ontstaat in geval van omzetting van die stichting in een andere rechtsvorm en ingevolge de tweede volzin van deze bepaling ook in geval van fusie of splitsing. Daarvan is in dit geval geen sprake geweest, nu Stichting PVH zelf Optas Pensioenen II en Optas Schade heeft opgericht. Het gaat dus om het vermogen dat de Stichting PVH ten tijde van de omzetting heeft en niet om het vermogen dat zij had, maar heeft besteed. Dat is, naar de ondernemingskamer evenzeer met juistheid heeft overwogen, in overeenstemming met de aan art. 2:18 lid 6 ten grondslag liggende gedachte dat gedurende het bestaan van een stichting haar vermogen geacht moet worden conform haar statutaire doelstelling te zijn besteed en dat aan het beschermen van dat vermogen door middel van een wettelijke (en statutaire) beklemming daarvan, alsmede door het beperken van de besteding van het beklemde vermogen, eerst behoefte zal bestaan zodra de stichting als gevolg van de omzetting heeft opgehouden te bestaan. Op het voorgaande stuiten de klachten van het onderdeel af. De weergave van het beklemde vermogen in de jaarrekeningen 3.5 Ten aanzien van de jaarrekeningen van Aegon, Optas Pensioenen en Optas Schade heeft de ondernemingskamer in rov. 2.18-2.21 en in rov. 3.15 van de bestreden beschikking de volgende feiten als vaststaand aangenomen: "2.18 De […]”
r.o. 3.4.3
“Het onderdeel klaagt voorts dat de ondernemingskamer heeft miskend dat de aard van de beklemming zich ertegen verzet dat het beklemd vermogen in de jaarrekening van Optas Pensioenen onder het eigen vermogen - in een afzonderlijke (toegelichte) balanspost 'statutaire omzettingsreserve' - kan worden verantwoord. Deze klacht berust op de opvatting dat rubricering onder 'eigen vermogen' onjuist is omdat dit meebrengt dat het beklemde vermogen (in beginsel) toekomt aan de aandeelhouders. Deze klacht faalt. De ondernemingskamer heeft - in cassatie niet bestreden - vastgesteld dat de Verzekerden geen contractuele rechten jegens Optas Pensioenen kunnen doen gelden met betrekking tot het beklemde vermogen, dat evenmin sprake is van feitelijke verplichtingen of constructive obligations jegens Belanghebbenden en dat het niet is toegestaan het beklemde vermogen als minderheidsbelang op te nemen. In deze omstandigheden geeft het oordeel dat het beklemde vermogen, dat zonder toestemming van de rechter niet voor uitkering aan de aandeelhouders beschikbaar is, onderdeel uitmaakt van het eigen vermogen van Optas Pensioenen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan het onderdeel betoogt, kan uit de omstandigheid dat het wettelijk beklemde vermogen (in beginsel) niet aan de aandeelhouders toekomt, niet worden afgeleid dat dit niet meer als 'eigen' vermogen, maar als een verplichting of als een separate post in de jaarrekening moet worden verantwoord. De aard van het in art. 2:18 […]”
r.o. 3.6.4