Hoge Raad · 8 april 2011
Beherend vennoot van beleggings-cv's niet vergunningplichtig als vermogensbeheerder of effectenbemiddelaar
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Stille vennoten in beleggings-commanditaire vennootschappen vorderden schadevergoeding van banken en de AFM nadat de beherend vennoot failliet was gegaan. Zij stelden dat de beherend vennoot zonder vergunning als vermogensbeheerder of effectenbemiddelaar optrad. De Hoge Raad oordeelt dat het vermogen van de cv ondernemingsvermogen van de cv is en dat beleggen met dat eigen vermogen geen vergunningplichtig beheer van vermogen van derden oplevert. Het beroep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“Het hof heeft tot uitgangspunt genomen dat indien een commanditaire vennootschap belegt in effecten, de voorschriften ter bescherming van individuele beleggers niet zonder meer van toepassing zijn. Dit sloot aan op het, in cassatie niet bestreden, oordeel van het hof in rov. 3.4.3, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de situatie dat een belegger zijn vermogen toevertrouwt aan een financiële dienstverlener en anderzijds de situatie dat personen kapitaal inbrengen in een rechtsvorm opdat daardoor economische bedrijvigheid zal worden ontplooid, waarbij in het eerste geval beleggersrisico's worden aanvaard en in het laatste geval ondernemersrisico's. Dit uitgangspunt van het hof is juist. Het in art. 7 lid 1 Wte 1995 met het oog op de bescherming van de belangen van individuele beleggers gegeven verbod ziet niet op beleggingsactiviteiten die commanditaire vennootschappen verrichten met het eigen ingebrachte vermogen. Het gaat bij dit voorschrift naar zijn tekst en strekking immers om als vermogensbeheerder in de zin van art. 1, aanhef en onder c, Wte 1995 te verrichten diensten ten behoeve van derden en met betrekking tot vermogen van derden. Dat strookt, zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.2.4.3, met de definitie van het begrip 'beleggingsonderneming' in de Richtlijn Beleggingsdiensten (Richtlijn 93/22/EEG, PbEG L 141), waarmee het begrip 'effecteninstelling' in art. 1, aanhef en onder d, Wte 1995 correspondeert, te weten: "iedere […]”
r.o. 3.4.3
“Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat in de onderhavige - naar niet in geschil is: reëel bestaande en door de Beleggers (vanwege fiscale voordelen) weloverwogen aangegane - commanditaire vennootschappen door de stille vennoten vermogen is ingebracht om daarmee beleggingsactiviteiten te verrichten, dat de stille vennoten daarmee geen vermogensbestanddelen ten titel van beheer ter beschikking hebben gesteld maar ondernemersrisico's hebben aanvaard, en dat aldus ten aanzien van de onderhavige commanditaire vennootschappen geen sprake is van 'vermogensbeheer' in de zin van art. 1, aanhef en onder c, Wte 1995. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel van het hof, dat verder als berustende op een waardering van de omstandigheden van het geval van feitelijke aard is, is ook niet onbegrijpelijk en is, mede gelet op zijn hiervoor in 3.4.3 juist bevonden uitgangspunt, toereikend gemotiveerd. 3.4.5 Op het voorgaande stuiten de klachten van de onderdelen 1a-1d af. 3.5.1 Onderdeel 2a richt zich tegen rov. 3.4.4-3.4.20 van het bestreden arrest en klaagt dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op de stelling van de Vereniging c.s. dat het optreden van Befra mede vermogensbeheer in de zin van art. 1, aanhef en onder c, Wte 1995 oplevert, omdat Befra optrad als beherend vennoot van een groot aantal commanditaire vennootschappen en dus bedrijfsmatig het vermogen van die vennootschappen beheerde en een redelijke uitleg van art. 1, aanhef en onder c, en […]”
r.o. 3.4.4
“Bij de beoordeling van de klachten staat voorop dat, zoals uit het hiervoor in 3.4.3 en 3.4.4 overwogene volgt, van vermogensbeheer in de zin van art. 1, aanhef en onder c, Wte 1995 slechts sprake is als het gaat om beheer van vermogen van derden, en dat zodanig vermogensbeheer zich bij de onderhavige commanditaire vennootschappen niet voordoet. Voor zover het onderdeel erover klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op de stelling dat van vermogensbeheer sprake is omdat het beheer van het vermogen van de commanditaire vennootschap door de beherend vennoot bij een groot aantal vennootschappen en dus bedrijfsmatig plaatsvindt, faalt het. Voor de beantwoording van de vraag of het onderhavige beheer 'vermogensbeheer' in de zin van art. 1, aanhef en onder c, Wte 1995 oplevert, behoefde het hof niet op die stelling in te gaan. De enkele omstandigheid dat het beheer van Befra het gestelde bedrijfsmatige karakter droeg, kan niet meebrengen dat het hof het onderhavige beheer (alsnog) als vermogensbeheer had moeten aanmerken. De klachten berusten voorts op de stelling dat het vermogen van de commanditaire vennootschappen voor de toepassing van art. 1, aanhef en onder c, en art. 7 lid 1 Wte 1995 heeft te gelden als vermogen van een derde, omdat het vermogen toebehoort aan een ander dan de beherend vennoot. Die stelling is onjuist. De omstandigheid dat het vermogen niet toebehoort aan Befra als beherend vennoot kan niet meebrengen dat het beheer door Befra in die hoedanigheid […]”
r.o. 3.5.2