Hoge Raad · 14 oktober 2011
M.E. Beheer
Tegenstrijdig belang bestuurder en vertegenwoordigingsbevoegdheid ex artikel 2:256 BW
- Overig Boek 2
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een bestuurder verkocht kort na het overlijden van de enig bestuurder deelnemingen van de vennootschap aan een zakenpartner; de vennootschap beriep zich op onbevoegde vertegenwoordiging wegens tegenstrijdig belang (artikel 2:256 BW). De Hoge Raad oordeelt dat voor tegenstrijdig belang voldoende is dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of de bestuurder zich uitsluitend door het belang van de vennootschap liet leiden, en dat het oordeel van het hof hierover onjuist of onvoldoende gemotiveerd was. Een bestuurder die statutair ook bij tegenstrijdig belang bevoegd is, wordt niet onbevoegd doordat hij de algemene vergadering niet tijdig informeert. De zaak is verwezen.
Kernoverwegingen
“Bij de beoordeling van dit onderdeel moet het volgende worden vooropgesteld (HR 29 juni 2007, LJN BA0033, NJ 2007/420). De strekking van art. 2:256 BW is te voorkomen dat de bestuurder bij zijn handelen zich (met name) laat leiden door zijn persoonlijk belang in plaats van (uitsluitend) het belang van de vennootschap dat hij heeft te dienen. Deze bepaling strekt in de eerste plaats tot bescherming van het belang van de vennootschap door de bestuurder de bevoegdheid te ontzeggen de vennootschap te vertegenwoordigen als hij door de aanwezigheid van een persoonlijk belang of door zijn betrokkenheid bij een ander met dat van de rechtspersoon niet parallel lopend belang niet in staat moet worden geacht het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming te bewaken op een wijze die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder mag worden verwacht. Voor de toepassing van art. 2:256 is niet vereist dat zeker is dat de betrokken rechtshandeling daadwerkelijk tot benadeling van de vennootschap zal leiden, doch is voldoende dat de bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat, kan slechts worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. Bij het ontbreken van een inhoudelijk afwijkende regeling […]”
r.o. 3.5.2
“De onderdelen 2.1 en 2.2 slagen, omdat dit oordeel van het hof hetzij blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij niet begrijpelijk is gemotiveerd. Het eerste is het geval indien het hof bij zijn oordeel heeft miskend dat het, naar volgt uit hetgeen hiervoor in 3.5.2 is vooropgesteld, de vraag had dienen te beantwoorden of [eiser 1] door de aanwezigheid van een persoonlijk belang niet in staat moest worden geacht het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming te bewaken op een wijze die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder mag worden verwacht en daartoe dienen te onderzoeken of [eiser 1] te maken had met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kon worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. Indien het hof de juiste maatstaf heeft aangelegd, is het bedoelde oordeel niet begrijpelijk gemotiveerd, nu het hof niet kenbaar is ingegaan op verschillende in onderdeel 2.2 bedoelde, door [eiser] c.s. in feitelijke aanleg aangevoerde stellingen die relevant kunnen zijn voor de beantwoording van de vraag of het door het hof aangenomen persoonlijk belang van [eiser 1] tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap. Dat geldt in het bijzonder voor de gemotiveerde stellingen van [eiser] c.s. dat de verkoop van de aandelen IJsselinvest in verband met de liquiditeitsproblemen van M.E. Beheer de enige optie was en de vereiste […]”
r.o. 3.5.4
“Deze klacht is gegrond. Indien de statuten van een vennootschap bepalen (zoals het geval is met die van M.E. Beheer en Embo, zie hiervoor in 3.1 onder (iv)) dat haar bestuurder ook in geval van tegenstrijdig belang bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen, zal die bestuurder weliswaar gehouden zijn de algemene vergadering zo tijdig te informeren over de aanwezigheid van een tegenstrijdig belang dat deze in de gelegenheid is de haar in de tweede volzin van art. 2:256 toegekende bevoegdheid uit te oefenen, maar de bestuurder die nalaat de algemene vergadering aldus te informeren wordt, anders dan het hof heeft aangenomen, niet reeds daardoor wegens tegenstrijdig belang onbevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen. 3.6.3 Onderdeel 1.3 richt zich tegen rov. 4.4 en 4.10 van het bestreden arrest met de klacht dat het oordeel van het hof dat de aandeelhouders niet reeds over alle wenselijke informatie beschikken onjuist is, althans niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. Voor zover aan het onderdeel ten grondslag ligt dat [eiser 1] als - enig - bestuurder van STAK met deze kan worden vereenzelvigd, zodat diens wetenschap heeft te gelden als wetenschap van STAK, mist het feitelijke grondslag, nu [eiser 1], zoals het hof in rov. 4.7 heeft vastgesteld, niet de enige bestuurder van STAK was. Voor zover het onderdeel de klacht inhoudt dat het hof heeft miskend dat [eiser 1] de algemene vergadering niet meer behoefde te informeren […]”
r.o. 3.6.2