← Week 13

Hoge Raad · 30 maart 2012

Enquête ASMI: kapitaalseis alleen in eerste aanleg, rechtsstrijd na cassatie

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In een enquêtezaak na cassatie en verwijzing oordeelt de Hoge Raad dat de kapitaalseis van artikel 2:346 BW alleen telt voor de ontvankelijkheid in eerste aanleg. In cassatie is slechts beslissend of verzoekers in de vorige instantie zijn verschenen. De Hoge Raad verwerpt ook de klachten over de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing en over de motivering van de afwijzing van het enquêteverzoek.

Kernoverwegingen

“Voor het antwoord op de vraag of Hermes c.s. behoren tot degenen die tegen de beschikking van 14 april 2011 beroep in cassatie kunnen instellen is niet beslissend of zij thans nog voldoen aan de hiervoor genoemde kapitaalseis. Of daaraan wordt voldaan, is - buiten het geval van art. 2:346, aanhef en onder c, BW - beslissend voor de ontvankelijkheid in eerste aanleg van - kort gezegd - houders van (certificaten van) aandelen in een naamloze of besloten vennootschap. Wat de ontvankelijkheid in cassatie betreft, gaat het ingevolge art. 426 lid 1 Rv. slechts erom of Hermes c.s. in de procedure voor de ondernemingskamer verschenen zijn. Dat is het geval, zodat het beroep op niet-ontvankelijkheid geen doel treft. 4.2.1 Aan het niet meer voldoen aan de kapitaalseis heeft ASMI subsidiair nog de gevolgtrekking verbonden, dat de ondernemingskamer na vernietiging en verwijzing tot geen ander oordeel kan komen dan dat Hermes c.s. in hun enquêteverzoek niet-ontvankelijk zijn, zodat zij geen belang hebben bij hun cassatieberoep. 4.2.2 Ook dit standpunt wordt verworpen. In de eerste cassatieprocedure is het impliciete oordeel van de ondernemingskamer dat voldaan was aan de kapitaalseis van art. 2:346, aanhef en onder b, niet bestreden. Daarmee kwam voor het verdere verloop van de procedure, en derhalve ook voor de procedure na (een mogelijke) verwijzing, vast te staan dat Hermes c.s. in hun enquêteverzoek ontvankelijk zijn. 5. Beoordeling van het middel 5.1.1 Onderdeel 1 richt zich, na een […]”

r.o. 4.1.2

“Ook dit standpunt wordt verworpen. In de eerste cassatieprocedure is het impliciete oordeel van de ondernemingskamer dat voldaan was aan de kapitaalseis van art. 2:346, aanhef en onder b, niet bestreden. Daarmee kwam voor het verdere verloop van de procedure, en derhalve ook voor de procedure na (een mogelijke) verwijzing, vast te staan dat Hermes c.s. in hun enquêteverzoek ontvankelijk zijn. 5. Beoordeling van het middel 5.1.1 Onderdeel 1 richt zich, na een inleiding in 1.1-1.4, met een reeks klachten (1.5-1.11) tegen de rov. 2.1-2.3, 3.1, 3.4 en 3.5, voor zover de ondernemingskamer daarin, mede op grond van de hierna in 5.1.3 te noemen nieuwe feiten, tot het oordeel komt dat weliswaar sprake is van gebrekkige informatieverstrekking aan (externe aandeelhouders in) de algemene vergadering van aandeelhouders, maar niet zo gebrekkig als Hermes en Fursa hebben doen voorkomen. Het onderdeel bevat geen klacht tegen het oordeel van de ondernemingskamer in rov. 3.1 dat de vernietiging van de beschikking van 5 augustus 2009 zich uitstrekt tot de in die beschikking vervatte beslissing dat gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid van ASMI. 5.1.2 In haar beschikking van 5 augustus 2009 (rov. 3.16) heeft de ondernemingskamer wat betreft die informatieverstrekking geoordeeld dat jegens de externe aandeelhouders van ASMI geen, althans onvoldoende openheid is betracht met betrekking tot de gang van zaken bij de aanwijzing van [betrokkene 1] als CEO, de gang van zaken […]”

r.o. 4.2.2

“De klachten falen. Na cassatie en verwijzing stond opnieuw ter discussie of de hiervoor bedoelde gebrekkige informatieverstrekking aan de (externe aandeelhouders in de) algemene vergadering (mede) het oordeel kon dragen dat sprake was van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Bij dat uitgangspunt geeft het kennelijke oordeel van de ondernemingskamer, dat de hiervoor in 5.1.3 vermelde stellingen en producties, waarmee ASMI haar eerdere verweer ter zake van die informatieverstrekking preciseerde en nader toelichtte alsmede een daarop betrekking hebbende feitelijk onjuiste aanname corrigeerde, binnen de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie in deze eerste fase van een enquêteprocedure bleven, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 25 maart 2011, LJN BP8991). 5.2.1 Onderdeel 2 faalt voor zover het voortbouwt op onderdeel 1. Voor het overige keert het zich met een reeks klachten tegen het oordeel van de ondernemingskamer (rov. 3.22) dat er weliswaar gegronde redenen zijn om aan een juist beleid van ASMI te twijfelen ten aanzien van de hiervoor bedoelde informatieverschaffing en ten aanzien van de gang van zaken bij de opvolging van [belanghebbende 3] als CEO, maar dat die redenen noch afzonderlijk noch in onderling verband rechtvaardigen dat een onderzoek wordt bevolen naar het beleid en de gang van zaken van ASMI. "De Ondernemingskamer", aldus het slot van die rechtsoverweging, "heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat uit het vorenoverwogene […]”

r.o. 5.1.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2012:BV1435
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
30 maart 2012
Datum publicatie
30 maart 2012
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:346 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 13 van 2012

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.