Hoge Raad · 2 december 2016
Enquête: afschrift van openbaar onderzoeksverslag aan derde (artikel 2:353 lid 2 BW)
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
De OK had bepaald dat een enquêteverslag op grond van artikel 2:353 lid 2 BW voor een ieder ter inzage ligt en stuurde later een kopie aan een derde die daarom verzocht. De Hoge Raad oordeelt dat een zo openbaar gemaakt verslag ook in afschrift aan een belangstellende mag worden verstrekt. Noch de tekst, noch de wetsgeschiedenis van de bepaling staat daaraan in de weg. Het cassatieberoep tegen de afwijzing van het gevorderde verbod wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“Art. 2:353 lid 2 BW houdt in, voor zover thans van belang, dat in ieder geval de advocaat-generaal bij het ressortsparket, de rechtspersoon, alsmede de verzoekers en hun advocaten een exemplaar van het onderzoeksverslag ontvangen. Daarnaast kan de ondernemingskamer ingevolge art. 2:353 lid 2 BW onder meer bepalen dat het verslag voor een ieder ter inzage ligt. Art. 2:353 lid 3 BW bepaalt, kort gezegd, dat het aan anderen dan de rechtspersoon verboden is om mededelingen aan derden te doen uit het verslag voor zover dat niet voor een ieder ter inzage ligt. Dit laatste brengt mee dat een voor een ieder ter inzage gelegd onderzoeksverslag in feite openbaar is en dat het een ieder is toegestaan om aan derden mededelingen uit het verslag te doen.”
r.o. 3.3.2
“Blijkens de parlementaire geschiedenis (zoals vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.4) heeft de wetgever met betrekking tot de vraag wie kan kennisnemen van het verslag een gedifferentieerde regeling gegeven en is het aan de rechter om te bepalen wie – naast de in art. 2:353 lid 2 BW genoemde (rechts)personen – van het verslag kan kennisnemen.”
r.o. 3.3.3
“Uit het hiervoor overwogene volgt dat noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2:353 lid 2 BW volgt dat van een voor een ieder ter inzage gelegd onderzoeksverslag geen afschrift aan een derde mag worden verstrekt. Dit strookt ook met de eisen van de praktijk. Niet valt in te zien waarom in de huidige tijd van een belangstellende gevergd zou moeten worden dat hij persoonlijk naar de griffie van de ondernemingskamer gaat (of daartoe een advocaat inschakelt) om kennis te nemen van een voor een ieder ter inzage gelegd onderzoeksverslag. Een adequate invulling van de beslissing van de ondernemingskamer tot (feitelijke) openbaarmaking van het verslag, brengt mee dat het verslag mag worden toegezonden aan een belangstellende die daartoe een verzoek heeft gedaan.”
r.o. 3.3.4