Hoge Raad · 9 oktober 2020
Enquête: cassatieberoep tegen OK-beschikking blijft ontvankelijk na einde enquêteprocedure
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêteprocedure stelden de verzoekers tijdig cassatieberoep in tegen een beschikking van de OK. Daarna eindigde de enquêteprocedure onherroepelijk. De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep daardoor niet niet-ontvankelijk wordt: ook na het einde van de enquêteprocedure kan een eerder gegeven OK-beschikking in cassatie worden getoetst. De klachten leiden niet tot cassatie en het beroep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“Met een beroep op de e-Traction-beschikking van de Hoge Raad hebben [verweerders 2 en 3] aangevoerd dat JKS c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep op de grond – kort gezegd – dat de enquêteprocedure inmiddels onherroepelijk is geëindigd doordat de hiervoor in 2.4 bedoelde beschikking van de ondernemingskamer in kracht van gewijsde is gegaan. Nu de enquêteprocedure is geëindigd, is er geen plaats meer voor een beslissing in cassatie over de hiervoor in 2.3 bedoelde beschikking, aldus [verweerders 2 en 3].”
r.o. 3.2
“Dit beroep op niet-ontvankelijkheid faalt. De Hoge Raad heeft in de e-Traction-beschikking (rov. 4.1.5) beslist dat na het eindigen van de enquêteprocedure geen plaats meer is voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a lid 2 BW, dan wel (al dan niet tijdelijke) voorzieningen als bedoeld in art. 2:355 lid 1 BW in verbinding met art. 2:356 BW. Uit die beschikking volgt niet dat het eindigen van de enquêteprocedure meebrengt dat een partij niet-ontvankelijk is in haar tijdig ingestelde cassatieberoep van een beschikking die de ondernemingskamer in de loop van de enquêteprocedure heeft gegeven. Ook na het eindigen van de enquêteprocedure kan in cassatie worden onderzocht of een gedurende de enquêteprocedure gegeven beschikking van de ondernemingskamer moet worden vernietigd op de in art. 79 RO bedoelde gronden, mits tegen die beschikking tijdig en op de juiste wijze cassatieberoep is ingesteld. In dat verband is niet van belang of de ondernemingskamer in haar beschikking al dan niet een voorziening heeft getroffen die een blijvend gevolg heeft.”
r.o. 3.3