Hoge Raad · 3 april 2020
Stemrecht pandhouder op aandelen; terugkeer stemrecht naar aandeelhouder; artikel 81 RO
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een aandeelhouder wil dat het stemrecht op zijn verpande aandelen, dat op grond van artikel 2:198 lid 3 BW naar de pandhouder was gegaan, op grond van artikel 2:342 BW naar hem terugkeert. De vraag is of de pandhouder het belang van de vennootschap zodanig heeft geschaad dat hij het stemrecht niet langer mag uitoefenen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met een artikel 81 RO-motivering.
Kernoverweging
“Beoordeling van het middel De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van de ondernemingskamer beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van RBS begroot op € 865,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan. Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 3 april 2020 .”
r.o. 2