← Week 14

Hoge Raad · 3 april 2020

Enquête SNS: verschoningsrecht en recht van rechtspersoon om inzage te weigeren

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In een enquête naar twee vennootschappen weigerden deze de onderzoekers inzage in stukken met informatie die was uitgewisseld met advocaten of notarissen. De Hoge Raad oordeelt dat het verschoningsrecht ook in de enquête geldt. De rechtspersoon heeft zelf geen afgeleid verschoningsrecht, maar mag inzage weigeren om de vertrouwenssfeer met zijn advocaat of notaris te beschermen. De raadsheer-commissaris toetst of die reden voldoende gewichtig is.

Kernoverwegingen

“Het hiervoor genoemde algemene rechtsbeginsel geldt ook in het verband van een onderzoek zoals bedoeld in art. 2:345 BW. In de regeling van het enquêterecht of de wetsgeschiedenis daarvan, is geen steun te vinden voor de gedachte dat het functionele verschoningsrecht in het kader van deze regeling niet geldt. Ook in het kader van een enquête komt aan advocaten en notarissen dus verschoningsrecht toe.”

r.o. 3.2.3

“De rechtspersoon die zich om advies of bijstand tot een advocaat of notaris heeft gewend, heeft zelf geen afgeleid verschoningsrecht, ook niet voor zover de rechtspersoon met de advocaat of notaris uitgewisselde vertrouwelijke gegevens onder zich heeft. Hij kan immers niet worden aangemerkt als een persoon aan wie de door hem benaderde geheimhouder vertrouwelijke gegevens heeft toevertrouwd, met als gevolg dat hem uit dien hoofde een afgeleid verschoningsrecht toekomt.

Recht van de rechtspersoon om inzage te weigeren”

r.o. 3.2.6

“Hoewel de rechtspersoon zelf zich niet op een afgeleid verschoningsrecht kan beroepen, kan hij niettemin een gerechtvaardigd belang hebben om te weigeren mee te werken aan het onderzoek, voor zover door de onderzoekers inzage wordt verlangd in informatie die hij met zijn advocaat of notaris in diens hoedanigheid heeft uitgewisseld, en waarvan de raadpleging of verstrekking niet kan geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat, gelet op de vertrouwenssfeer tussen de rechtspersoon enerzijds en zijn advocaat of notaris anderzijds, verborgen dient te blijven. Het belang dat een ieder de vrijheid heeft om een vertrouwenspersoon te raadplegen zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan die vertrouwenspersoon in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, zou immers onaanvaardbaar worden geschaad indien degene die een geheimhouder wil raadplegen, niet vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking zou kunnen vastleggen en bewaren hetgeen hij zelf aan de geheimhouder heeft toevertrouwd en hetgeen de geheimhouder hem heeft meegedeeld.”

r.o. 3.3.1

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2020:600
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
3 april 2020
Datum publicatie
3 april 2020
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:345 BW, 2:350 BW, 2:351 BW, 2:352 BW, 2:355 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 14 van 2020

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.