← Week 38

Hoge Raad · 22 september 2023

Enquête Funda: handelen middellijk aandeelhouder en zorgvuldigheidsplicht artikel 2:8 BW

  • Enquêterecht
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Certificaathouders van een woonplatform-vennootschap en de vennootschap zelf verzochten om een enquête. De OK beval een onderzoek. De Hoge Raad oordeelt dat ook het handelen van een middellijk aandeelhouder onder omstandigheden onder het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon kan vallen. Ook kan artikel 2:8 BW in een organisatorisch verband van rechtspersonen mede gelden voor de middellijk aandeelhouder. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Kernoverwegingen

“De onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden omdat zij feitelijke grondslag missen. De ondernemingskamer heeft in rov. 4.3, in reactie op de bezwaren en verzoeken van FundaBelang c.s. en Funda, klaarblijkelijk niet meer tot uitdrukking willen brengen dan dat NVM geen onmiddellijk aandeelhouder van Funda is en dat handelen van NVM in die hoedanigheid om die reden geen onderwerp van deze enquêteprocedure kan zijn. Dat oordeel sluit niet uit dat het handelen van NVM als middellijk aandeelhouder van Funda wel een rol kan spelen in deze enquêteprocedure.”

r.o. 3.2

“De bevoegdheid een enquête te bevelen indien er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, is een discretionaire bevoegdheid. Bij de uitoefening van die bevoegdheid dient een afweging van de betrokken belangen plaats te vinden. De belangenafweging moet steunen op de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waarbij naast de doeleinden van het enquêterecht mede moeten worden betrokken de aard van het tussen de verzoekers en de rechtspersoon bestaande geschil en de bezwaren tegen een ruime toepassing van het middel van enquête. De regeling van het enquêterecht is gericht op het belang van de rechtspersoon en bij de belangenafweging staat dat belang daarom voorop. Uitgangspunt bij de toepassing van het enquêterecht is dat het uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid.”

r.o. 3.4

“Met het voorgaande strookt dat ook het handelen van een organisatorisch met de rechtspersoon verbonden andere rechtspersoon, bijvoorbeeld een middellijk aandeelhouder, onder omstandigheden kan vallen onder het bereik van het beleid en de gang van zaken van die eerstbedoelde rechtspersoon, en aldus van hetgeen in het kader van art. 2:350 lid 1 BW onderwerp kan zijn van een enquêteprocedure ten aanzien van die eerstbedoelde rechtspersoon. Daaruit volgt dat dit handelen eveneens onderwerp kan zijn van een eventueel daarop volgend onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van die eerstbedoelde rechtspersoon. Of bepaald handelen onder het bereik van het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon valt, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval en de overige hiervoor in 3.4 genoemde gezichtspunten. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden van het concrete geval kunnen onder meer behoren de hoedanigheid of functie van degene wiens handelingen het betreft, diens organisatorische verbondenheid met of betrokkenheid bij de rechtspersoon waarop het enquêteverzoek betrekking heeft, en diens invloed, al dan niet rechtstreeks, op het beleid en de gang van zaken van die rechtspersoon. Niet noodzakelijk is dat degene om wiens handelen het gaat, ook bestuurder is van de rechtspersoon of met die rechtspersoon in een groep is verbonden.”

r.o. 3.5

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2023:1283
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
22 september 2023
Datum publicatie
22 september 2023
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:8 BW, 2:350 BW
Thema
Enquêterecht, Overig Boek 2
Aangesproken
aandeelhouder
Weekoverzicht
Week 38 van 2023

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.