Hoge Raad · 10 april 2026
Regres moedermaatschappij op dochter na kartelboete; artikelen 2:8 en 2:9 BW
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
Een moedermaatschappij die zelf een boete kreeg wegens een kartelinbreuk van haar dochter, wilde de boete verhalen op die dochter. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep: een inbreuk op het mededingingsrecht door een dochter is niet zonder meer onrechtmatig jegens de moeder, daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig, zoals bewuste misleiding. De artikelen 2:8 en 2:9 BW komen alleen voor in het hofoordeel, dat deze niet als zelfstandige grondslag aanmerkte.
Kernoverweging
“Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het onder meer, samengevat, het volgende overwogen. De verdeling van aansprakelijkheid voor een boete wegens een overtreding van de mededingingsregels binnen een onderneming is een kwestie van nationaal recht. Dat heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) in zijn rechtspraak bevestigd. Wel heeft het HvJEU daaraan toegevoegd: “met inachtneming van het recht van de Unie”. Kennelijk heeft het HvJEU daarmee het oog op algemene beginselen van Unierecht als het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel. (rov. 6.5) De vraag of Bencis zich kan verhalen op Dossche (Meneba), wordt dus beheerst door Nederlands recht. Naar Nederlands recht komt het in essentie aan op de vraag of Meneba, door inbreuk te maken op het mededingingsrecht, onrechtmatig heeft gehandeld jegens Bencis, dan wel of Meneba ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van Bencis. Bencis heeft ook een beroep gedaan op de zorgvuldigheidsnorm van art. 2:8 BW en de norm voor bestuurdersaansprakelijkheid van art. 2:9 BW. Die artikelen kunnen in dit geval echter niet dienen als zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid. De daarin opgenomen normen zijn hoogstens relevant als inkleuring van de toerekeningsmaatstaf voor de door Bencis gestelde onrechtmatige daad. (rov. 6.6) Een inbreuk op het mededingingsrecht wordt gepleegd door een onderneming. De inbreuk is in dit geval dus gepleegd door Bencis en Meneba samen. […]”
r.o. 2.3