Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 6 juni 2001
Enquête bij scheepswerfgroep: gegronde redenen twijfel aan juist beleid, surséance, marginale toetsing
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie bij de Hoge Raad gaat het om een door een vakbond gevraagd en door de OK toegewezen enquête bij een scheepswerfgroep. De groep vroeg kort na een werkgelegenheidsgarantie surséance van betaling aan. De plaatsvervangend procureur-generaal wijst erop dat de beslissing over een enquête discretionair is en in cassatie slechts marginaal wordt getoetst. Voldoende is dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“De bevoegdheid van de OK tot het gelasten van een enquête op de voet van art. 2:350 io. 2:345 BW is van discretionaire aard. Art. 2:345, lid 1, BW bepaalt dat de OK een of meer personen kan benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon(2). Als gevolg daarvan kan een uitspraak van de OK tot het houden van een enquête in cassatie slechts marginaal worden getoetst. 3.1.2. De OK kan een verzoek of vordering tot het houden van een enquête alleen toewijzen, indien sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Daarbij komt haar wel een ruime beoordelingsmarge toe(3). 3.2.1. Onderdeel 1 heeft een inleidend karakter. De onderdelen 2-8 bestrijden ro. 4.5. van de beschikking van het hof. 3.2.2. In de genoemde rechtsoverweging heeft de OK overwogen dat het bevreemding wekt dat in april/mei 1999 is gewerkt aan een afvloeiingsplan voor 60% van het personeel van IJsselwerf en dat begin juni 1999 voor IJsselwerf surséance van betaling is aangevraagd, terwijl nog op 27 januari 1999 is besloten tot een overname van Wilton-Feijenoord, waarbij een werkgelegenheidsgarantie was afgegeven voor de duur van twee jaar. 3.3.1.1. Volgens onderdeel 2 vormt deze overweging de onderbouwing van de door de OK geformuleerde bevinding, dat het instellen van een onderzoek gerechtvaardigd was. Dit onderdeel betoogt dat deze overweging het oordeel in rechtsoverweging 4.4, onvoldoende kan dragen. Dat oordeel houdt in dat het […]”
r.o. 3.1.1
“De OK kan een verzoek of vordering tot het houden van een enquête alleen toewijzen, indien sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Daarbij komt haar wel een ruime beoordelingsmarge toe(3). 3.2.1. Onderdeel 1 heeft een inleidend karakter. De onderdelen 2-8 bestrijden ro. 4.5. van de beschikking van het hof. 3.2.2. In de genoemde rechtsoverweging heeft de OK overwogen dat het bevreemding wekt dat in april/mei 1999 is gewerkt aan een afvloeiingsplan voor 60% van het personeel van IJsselwerf en dat begin juni 1999 voor IJsselwerf surséance van betaling is aangevraagd, terwijl nog op 27 januari 1999 is besloten tot een overname van Wilton-Feijenoord, waarbij een werkgelegenheidsgarantie was afgegeven voor de duur van twee jaar. 3.3.1.1. Volgens onderdeel 2 vormt deze overweging de onderbouwing van de door de OK geformuleerde bevinding, dat het instellen van een onderzoek gerechtvaardigd was. Dit onderdeel betoogt dat deze overweging het oordeel in rechtsoverweging 4.4, onvoldoende kan dragen. Dat oordeel houdt in dat het welbewust afstevenen op een beëindiging van (het bedrijf van) IJsselwerf in strijd zou zijn met elementaire beginselen van behoorlijk ondernemerschap 3.3.1.2. Volgens het onderdeel had de OK naar Nederlands recht niet, althans niet zonder nadere motivering, kunnen beslissen dat een ondernemer op grond van de hem ter beschikking staande gegevens en de door hem te beoordelen omstandigheden (ook al is daar kort tevoren een […]”
r.o. 3.1.2
“Het oordeel van de OK dat de omstandigheden dat IJsselwerf de surséance op dat moment en op deze wijze heeft aangevraagd, (mede) aanleiding kunnen geven tot het gelasten van een onderzoek, impliceren geenszins dat de rechtbank de gevraagde (voorlopige) surséance niet zou hebben behoren te verlenen. Met het geven van dit oordeel heeft de OK haar taak als rechter in het kader van art. 2:350, lid 1, BW niet miskend. 3.6.3.3. De door IJsselwerf c.s. genoemde omstandigheden die de OK ten onrechte buiten beschouwing zou hebben gelaten hebben betrekking op de verslechterde financiële situatie van IJsselwerf in juni 1999. Dat de OK hierin geen klemmende redenen voor IJsselwerf heeft gezien om op dàt moment reeds surséance aan te vragen, acht ik niet onbegrijpelijk. Verzoeksters in cassatie hebben niet aangevoerd dat de financiële situatie bij IJsselwerf toen reeds zodanig was dat voor een faillissement werd gevreesd, terwijl een surséance-aanvraag zo kort na de toezegging van een werkgelegenheidsgarantie van twee jaar en zonder dat over deze aanvraag voorafgaand overleg met de bonden en de ondernemingsraad was gepleegd de nodige arbeidsonrust zou kunnen veroorzaken, met de nodige risico's voor de afbouw van de "275". 3.6.3.4. Dat de bewindvoerders blijkens hun (eerste) verslag zich in dit stadium nog geen definitief oordeel hebben kunnen vormen over de vraag of IJsselwerf verkeerd heeft gehandeld, maakt dit niet anders. Voor het gelasten van een enquête is voldoende dat er gegronde […]”
r.o. 3.6.3.2