← Week 5

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 1 februari 2002

Kan een vennootschap zelf een enquête bij zichzelf verzoeken? Conclusie P-G

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een beursvennootschap verzocht de OK een enquête bij haarzelf te gelasten en voorlopige voorzieningen te treffen. De procureur-generaal concludeert dat een rechtspersoon als zodanig geen enquêterecht heeft, maar dit wel kan ontlenen aan voldoende eigen aandelenbezit of een statutaire bepaling. Omdat de OK niet motiveert op welke grond de vennootschap bevoegd was, strekt de conclusie tot vernietiging en terugwijzing.

Kernoverwegingen

“Noch de tekst van de wet, noch het systeem of de strekking van het enquêterecht bieden steun aan de gedachte dat de rechtspersoon als zodanig het recht heeft te verzoeken onderzoek te verrichten naar zijn eigen beleid en om de in de wet genoemde (al dan niet voorlopige) voorzieningen te treffen. Daaruit volgt echter niet dat de rechtspersoon, voor zover het haar eigen beleid betreft, is uitgesloten van het recht een enquête te verzoeken. Ook voor die gedachte bieden noch de wetstekst, noch de totstandkomingsgeschiedenis van de wet, aanknopingspunten. 3.7.2. Een rechtspersoon kan derhalve een enquête bij zichzelf verzoeken, mits zij aan een van de algemeen geldende vereisten voldoet. Dit betekent dat zij voldoende (in de zin van art. 2:346, onder a, BW) aandelen moet bezitten, dan wel daartoe bij de statuten gemachtigd moet zijn. Een overeenkomst, in de zin van art. 346, onder c, komt niet in aanmerking, omdat de wet spreekt van een "overeenkomst met de rechtspersoon" en men geen overeenkomst met zichzelf kan sluiten. Dit laatste volgt uit de omschrijving van art. 6:213, lid 1, BW en spreekt overigens vanzelf. 3.7.3. Het voorgaande vindt ook enige steun in de literatuur, die over het onderhavige probleem niet dik gezaaid is. Maeijer releveert dat organen van een vennootschap niet de bevoegdheid hebben een enquête bij de eigen vennootschap te verzoeken, maar dat zij die bevoegdheid wel aan voldoende aandelenbezit kunnen ontlenen(37). 3.7.4. Indien een rechtspersoon een enquête […]”

r.o. 3.7.1

“Een rechtspersoon kan derhalve een enquête bij zichzelf verzoeken, mits zij aan een van de algemeen geldende vereisten voldoet. Dit betekent dat zij voldoende (in de zin van art. 2:346, onder a, BW) aandelen moet bezitten, dan wel daartoe bij de statuten gemachtigd moet zijn. Een overeenkomst, in de zin van art. 346, onder c, komt niet in aanmerking, omdat de wet spreekt van een "overeenkomst met de rechtspersoon" en men geen overeenkomst met zichzelf kan sluiten. Dit laatste volgt uit de omschrijving van art. 6:213, lid 1, BW en spreekt overigens vanzelf. 3.7.3. Het voorgaande vindt ook enige steun in de literatuur, die over het onderhavige probleem niet dik gezaaid is. Maeijer releveert dat organen van een vennootschap niet de bevoegdheid hebben een enquête bij de eigen vennootschap te verzoeken, maar dat zij die bevoegdheid wel aan voldoende aandelenbezit kunnen ontlenen(37). 3.7.4. Indien een rechtspersoon een enquête bij zichzelf wenselijk acht, kan hij zich ook wenden tot de advocaat-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam, met het verzoek een vordering te doen tot het instellen van een onderzoek. 4. BESPREKING VAN DE CASSATIEMIDDELEN 4.1. In het navolgende beperk ik mij tot de zakelijke inhoud van de middelen en ga ik voorbij aan de formulering en bijkomstigheden hiervan(38). 4.2.1. Middel 1 in het eerste beroep en middel 2 in het tweede beroep betogen dat de OK in de bestreden beschikkingen de artt. 2:345-347 heeft geschonden door De Vries Robbé bevoegd te achten […]”

r.o. 3.7.2

“Een wetsconforme uitleg van de bestreden beschikkingen brengt dan mee dat aan te nemen is dat de OK bedoeld moet hebben dat De Vries Robbé bevoegd was een enquête te verzoeken, mits zij die bevoegdheid ontleende aan een van de wettelijke vereisten, d.w.z. voldoende bezit van eigen aandelen dan wel een daartoe strekkende statutaire bepaling. 4.2.5.3. De middelen 1 in het eerste beroep en 2 in het tweede beroep berusten m.i. dan ook op een onjuiste lezing van de bestreden beschikkingen en lopen vast op gebrek aan feitelijke grondslag. Eveneens feitelijke grondslag mist de stelling dat De Vries Robbé Groep N.V. geen houder van eigen aandelen of certificaten is, aangezien het hof daarover niets heeft vastgesteld. Ten slotte is de klacht volgens welke niet gebleken is dat De Vries Robbé bij haar statuten de bevoegdheid tot het verzoeken van een enquête is verleend, ten onrechte in het verband van een rechtsklacht naar voren gebracht. Dit is immers een klacht van zuiver feitelijke aard, die in cassatie slechts met een motiveringsklacht kan worden bestreden. 4.2.6. De middelen 3 in het eerste en 4 in het tweede beroep bouwen hierop voort en moeten ­ wat er in dit verband verder moge zijn van het beroep op "geprivilegieerde eigen aangifte" ­ het lot daarvan delen. 4.3.1. Middel 2 in het eerste beroep en middel 3 in het tweede beroep klagen over de motivering van het hof om De Vries Robbé bevoegd en ontvankelijk te achten. 4.3.2.1. Inderdaad is in de bestreden beschikkingen geen […]”

r.o. 4.2.5.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2002:AD8831
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
1 februari 2002
Datum publicatie
11 februari 2002
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:344 BW, 2:345 BW, 2:346 BW, 2:347 BW, 2:349a BW, 2:354 BW, 2:355 BW
Thema
Enquêterecht
Aangesproken
"n.v.t."
Weekoverzicht
Week 5 van 2002

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.