← Week 42

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 18 oktober 2002

Conclusie: persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder bij niet-nakoming door B.V. en bewijslast

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een afnemer stelde de bestuurder van een failliete B.V. persoonlijk aansprakelijk uit onrechtmatige daad voor een vooruitbetaling op een niet nagekomen levering. Het hof wees dit af bij gebrek aan wetenschap van de bestuurder dat de B.V. niet kon nakomen en geen verhaal zou bieden. De A-G bespreekt de maatstaf en de bewijslastverdeling en concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Zoals in alinea 1 hiervóór al aangestipt, heeft de vraag die ook in deze zaak aan de orde is, in het recente verleden aanleiding gegeven tot een levendige casuïstiek(5). Uit die casuïstiek komt duidelijk de regel naar voren die Uniekaas aan haar vorderingen ten grondslag legt, en die het hof bij de beoordeling daarvan ook heeft toegepast. Ik geef die regel ik als volgt weer: In het algemeen moet worden aangenomen dat de bestuurder die in naam van een vennootschap een verplichting is aangegaan, terwijl hij weet of redelijkerwijs behoort te weten dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen kan voldoen en geen verhaal zal bieden voor de schade ten gevolge van de niet-nakoming, een zodanig verwijt treft dat hij persoonlijk jegens de wederpartij van de vennootschap aansprakelijk is op grond van onrechtmatig handelen, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden die zijn handelwijze rechtvaardigen of verontschuldigen(6). 12. Die regel roept intussen allicht de vraag op, wanneer moet worden aangenomen dat een bestuurder redelijkerwijs "behoort" te weten dat zich de in de vorige alinea omschreven omstandigheden voordoen. Aan de gevallen waarin op deze regel een beroep wordt gedaan is immers naar hun aard inherent, dat naderhand gebleken is dat de vennootschap haar verplichtingen niet is nagekomen en dat zij onvoldoende verhaal voor de gedupeerde crediteur biedt. Met de wijsheid die zich achteraf soms opdringt, is het in veel van die gevallen mogelijk om […]”

r.o. 11

“Ook die vraag, dus de vraag naar de mate van voorzichtigheid die een bestuurder in dit verband in acht moet nemen, is in de reeks hiervoor aangehaalde beslissingen onderzocht. Ik vat de uitkomst van wat daarbij is onderzocht aldus samen, dat wetenschap van een (ook meer dan verwaarloosbaar) risico(7) dat de vennootschap een bepaalde verplichting niet zal kunnen nakomen en vervolgens geen verhaal voor de schade zal bieden, niet zonder meer voldoende is voor het aannemen van aansprakelijkheid van de verantwoordelijke bestuurder, als het risico zich vervolgens verwezenlijkt. Anders gezegd: de risico's die de onderneming van de vennootschap loopt kunnen, binnen zekere grenzen, niet voor rekening van de bestuurders van de vennootschap worden gebracht, alleen omdat zij van die risico's op de hoogte waren of op de hoogte konden zijn. Dat is pas anders als de bestuurder in kwestie had behoren te voorzien dat het risico verkeerd zou uitpakken en dat de vennootschap dan niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Het enkele feit dat er een (verantwoord) risico wordt genomen is niet voldoende om aan te nemen dat de daarvoor verantwoordelijke bestuurder, als het risico zich verwezenlijkt, "behoorde" te voorzien dat dat zou gebeuren. 14. Illustratief voor deze beoordelingsmaatstaf is het in voetnoot 7 al genoemde arrest HR 14 november 1997, NJ 1998, 270 m.nt. Ma, i.h.b. rov. 3.5, maar zie ook rov. 3.6 en de rov. 4.8.1 - 4.8.2.4 uit het in dat cassatiegeding bestreden arrest van het […]”

r.o. 13

“Wat de bewijslastverdeling betreft geldt als uitgangspunt - en als weinig verrassend uitgangspunt - dat de gedupeerde vennootschapscrediteur die een bestuurder voor schade als gevolg van wanprestatie van de vennootschap aansprakelijk wil houden, de feiten die ten grondslag liggen aan de verwijten die hij aan de bestuurder maakt, moet stellen(9) en (bij betwisting) bewijzen(10). Alleen in bijzondere gevallen, waarin het in uitgesproken mate voor de hand ligt dat degene die volledige zeggenschap over de betreffende vennootschap had met het bewijs wordt belast, kan het nodig zijn dat de rechter, als die niettemin tot een andere bewijslastverdeling besluit, de bijzondere omstandigheden die hem daartoe hebben doen besluiten in zijn motivering nader preciseert(11). Ik zou menen dat dit een uitwerking, voor een bijzonder geval, vormt van een in het algemeen voor de rechterlijke motivering geldende (vuist)regel: waar het in uitgesproken mate voor de hand ligt dat een bepaalde beslissing moet volgen, is een beslissing in de andere zin onvoldoende begrijpelijk als de rechter niet nader preciseert waarom die beslissing zo is uitgevallen. 16. Het oordeel over wat een bestuurder in gegeven omstandigheden weet of redelijkerwijs behoort te weten is voor het overige in (sterk) overwegende mate afhankelijk van feitelijke appreciatie(12). Ook het oordeel of de verkeerde afloop van een bepaalde risico-taxatie "redelijkerwijs voorzienbaar" was, is verweven met waarderingen van feitelijke […]”

r.o. 15

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2002:AE5161
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
18 oktober 2002
Datum publicatie
21 oktober 2002
Spoor
Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 42 van 2002

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.