Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 29 november 2002
Interne bestuurdersaansprakelijkheid bij ontbrekende RvC-goedkeuring voor afstoten deelneming; ernstig verwijt
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een voormalige bestuurder van een structuurvennootschap verleende zonder goedkeuring van de RvC een optie op alle aandelen in een deelneming, tegen een te lage prijs, en werd door het hof op grond van artikel 2:9 BW tot een hoog schadebedrag veroordeeld. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: volledige afstoting van een deelneming vereist goedkeuring, en schending van die statutaire plicht levert in beginsel een ernstig verwijt op. Wel acht hij uitzonderingen verdedigbaar, bijvoorbeeld bij gewekte instemming van commissarissen.
Kernoverwegingen
“Op grond van art. 2:164 lid 1 BW heeft de raad van commissarissen een goedkeuringsrecht ten aanzien van bepaalde bestuursbesluiten. Dit goedkeuringsrecht brengt mee dat de raad naast zijn normale toezichthoudende taak tevens een beperkte medebesturende taak heeft. Het gaat hier om dwingend recht.(15) Ratio hiervan is - kort gezegd - dat de in art. 2:164 lid 1 BW genoemde besluiten in de regel ingrijpende gebeurtenissen in het bestaan van de vennootschap betreffen. Door deze besluiten onder de controle van commissarissen te brengen, wordt een grotere waarborg geschapen voor een evenwichtige belangenafweging.(16) 3.17 Voor zover hier van belang luidt art. 2:164 lid 1 als volgt: Aan de goedkeuring van de raad van commissarissen zijn onderworpen de besluiten van het bestuur omtrent: (...) d. het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking van de vennootschap (...) met een andere rechtspersoon of vennootschap dan wel als volledig aansprakelijke vennote in een commanditaire vennootschap of vennootschap onder firma, indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de vennootschap; e. het nemen van een deelneming ter waarde van ten minste een vierde van het bedrag van het geplaatste kapitaal met de reserves volgens de balans van de vennootschap, door haar of een afhankelijke maatschappij in het kapitaal van een andere vennootschap, alsmede het ingrijpend vergroten of verminderen van zulk een deelneming (...)". 3.18 Ingevolge art. 2:154 lid 3 BW dient de NV […]”
r.o. 3.16
“Bij deze stand van zaken faalt de klacht ook ingeval Uw Raad aan inhoudelijke beoordeling daarvan zou toekomen. Niet kan worden aanvaard dat reeds de enkele omstandigheid dat het houden van aandelen in een andere rechtspersoon feitelijk niet langer in het belang van de eigen werkzaamheid is het vereiste van goedkeuring door de raad van commissarissen opzij kan zetten. Een deelneming houdt eerst op zich als zodanig te kwalificeren indien het oogmerk van duurzame verbondenheid niet langer bij de nv aanwezig is. Hiervan lijkt mij eerst sprake indien daaromtrent een besluit is genomen.(21) Een dergelijk besluit, dat doorgaans zal samengaan met of besloten zal liggen in het besluit het aandelenbelang af te stoten, dient steeds te worden goedgekeurd door de raad van commissarissen. 3.25 Uit de ratio en het systeem van art. 2:164 lid 1 BW vloeit immers voort dat in een situatie waarin een NV eenmaal een deelneming in de zin van art. 2:24c BW heeft, verdere (ingrijpende) besluiten ten aanzien van die deelneming mede tot de verantwoordelijkheid van de raad van commissarissen behoren. De medebesturende taak van de raad moet op dit punt ruim worden opgevat nu het gebruik van de woorden "besluiten omtrent" in de aanhef van art. 2:164 lid 1 BW (en art. 20 van de statuten) meebrengt dat het goedkeuringsvereiste zich uitstrekt tot ieder besluit van het bestuur waarbij dit zijn optreden ten aanzien van de in dat artikel opgesomde onderwerpen bepaalt.(22) 3.26 Hierbij valt nog te bedenken […]”
r.o. 3.24
“Uit de ratio en het systeem van art. 2:164 lid 1 BW vloeit immers voort dat in een situatie waarin een NV eenmaal een deelneming in de zin van art. 2:24c BW heeft, verdere (ingrijpende) besluiten ten aanzien van die deelneming mede tot de verantwoordelijkheid van de raad van commissarissen behoren. De medebesturende taak van de raad moet op dit punt ruim worden opgevat nu het gebruik van de woorden "besluiten omtrent" in de aanhef van art. 2:164 lid 1 BW (en art. 20 van de statuten) meebrengt dat het goedkeuringsvereiste zich uitstrekt tot ieder besluit van het bestuur waarbij dit zijn optreden ten aanzien van de in dat artikel opgesomde onderwerpen bepaalt.(22) 3.26 Hierbij valt nog te bedenken dat het in het leven roepen van het toezicht van commissarissen bepaaldelijk goede zin heeft. Het ligt geenszins voor de hand dat directeuren dit kunnen torpederen door zelf een nieuwe koers te gaan varen. De - ten dele in hoge mate zorgelijke - ontwikkelingen in vennootschapsland van de afgelopen jaren laten zien dat het buitengewoon nuttig is dat er ten minste enig toezicht bestaat.(23) Zeker in de huidige tijd zou het een volstrekt verkeerd en maatschappelijk buitengewoon onwenselijk signaal zijn om directeuren de kans te bieden zich gemakkelijk van het wettelijk vereiste toezicht te bevrijden. 3.27 Middel 2 richt zich met twee onderdelen tegen het oordeel van het Hof in rov. 4.6 dat [eiser] door het aangaan van de optieovereenkomst, zonder de daarvoor vereiste statutaire […]”
r.o. 3.25