Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 21 februari 2003
Enquête: wanbeleid door gebrekkige informatieverschaffing aan AVA en onvolledige jaarrekeningen
- Enquêterecht
- Jaarrekening
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie in een enquêteprocedure gaat het om wanbeleid bij een beursgenoteerde vennootschap. Het bestuur en de commissarissen gaven de AVA onvoldoende helderheid over een transactie met schijn van belangenverstrengeling, en de jaarrekeningen vermeldden een beschermingsconstructie niet. De A-G ziet de elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap als invulling van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Hij oordeelt dat later herstel het wanbeleid niet wegneemt en schade of opzet niet vereist zijn. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“De vraag rijst wat de verhouding is tussen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zoals bedoeld in art. 2:8 BW, het begrip wanbeleid en de in de rechtspraak ontwikkelde elementaire beginselen van behoorlijk ondernemerschap. Een juiste rechtsopvatting zou naar mijn mening zijn de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, die in de praktijk niet zijn te onderscheiden van de normen van maatschappelijke zorgvuldigheid, als basisnorm te beschouwen(15) die echter, juist vanwege haar algemeenheid en vaagheid, wel richting, maar in concreto weinig houvast geeft. Het begrip wanbeleid zou dan zijn te beschouwen als een vorm van handelen in strijd met deze beginselen in een context waarin beleid wordt gevoerd, zoals onder meer in vennootschappelijke verhoudingen. Maar ook dit begrip is - zie de Ogem-beschikking - een vage norm. Teneinde dat meer reliëf te geven zijn, zo zou ik menen, de elementaire beginselen van behoorlijk ondernemerschap ontwikkeld, die weer nader zijn te onderscheiden in een aantal deelnormen(16), waarbij o.m. het bestuursrecht inspiratie heeft geboden. 2.7 Uit het voorgaande volgt dat ik deze beginselen beschouw als concretiseringen van de algemene norm van redelijkheid en billijkheid, die (ook) de bij een vennootschap/ onderneming betrokken personen of partijen tegenover elkaar in acht moeten nemen op een wijze, die door de omstandigheden van het geval wordt ingekleurd. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat het ongewenst is het handelen van het […]”
r.o. 2.6
“In de onderhavige zaak heeft de Ondernemingskamer aan VIBA het verwijt gemaakt dat zij haar aandeelhouders onvoldoende heeft geïnformeerd tijdens de ava van 9 oktober 2000. Dit verwijt moet niet alleen worden gezien tegen de achtergrond van de zojuist gehouden beschouwingen, maar ook van art. 2:107 lid 2 BW, op grond waarvan het bestuur en de raad van commissarissen verplicht zijn aan de algemene vergadering alle verlangde inlichtingen te verschaffen, tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet.(17) Gesteld noch gebleken is, dat in ons geval een zodanige uitzondering aan de orde is. 2.9 Subonderdeel 1.1 klaagt dat de Ondernemingskamer bij haar oordeel dat de gebrekkige informatievoorziening ter vergadering van 9 oktober 2001 als wanbeleid heeft te gelden, niet heeft aangegeven welke maatstaf zij daartoe heeft aangelegd. De door haar in aanmerking genomen omstandigheden kunnen noch afzonderlijk, noch in onderling verband tot die conclusie leiden. De Ondernemingskamer heeft dus een onjuiste maatstaf aangelegd of heeft althans onvoldoende inzicht gegeven in haar gedachtegang, aldus nog steeds de onderhavige klacht. 2.10 Voorzover het subonderdeel ertoe strekt dat de Ondernemingskamer gehouden was de aan haar oordeel ten grondslag gelegde maatstaf expliciet in haar beschikking te vermelden, treft het geen doel. In zoverre geldt dat het erom gaat wat de rechter doet, niet om wat hij zegt: als de rechter klaarblijkelijk de juiste maatstaf heeft […]”
r.o. 2.8
“Voorzover het subonderdeel ertoe strekt dat de Ondernemingskamer gehouden was de aan haar oordeel ten grondslag gelegde maatstaf expliciet in haar beschikking te vermelden, treft het geen doel. In zoverre geldt dat het erom gaat wat de rechter doet, niet om wat hij zegt: als de rechter klaarblijkelijk de juiste maatstaf heeft toegepast, doet het er niet toe of die maatstaf expliciet in zijn beslissing is uitgespeld. In het onderhavige geval heeft de Ondernemingskamer klaarblijkelijk geoordeeld dat het feit dat directie en commissarissen van VIBA desgevraagd tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van 9 oktober 2000 onvoldoende inlichtingen hebben verschaft, een ernstige schending is geweest van de uit de redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW) voortvloeiende zorgvuldigheidsnormen. Aldus verstaan geeft dit oordeel, tegen de achtergrond van de hiervoor besproken rechtspraak, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip 'wanbeleid'.(18) De motiveringsklacht faalt eveneens omdat de Ondernemingskamer haar oordeel zowel heeft gemotiveerd met het grote belang dat de aandeelhouders hadden bij deugdelijke informatie als met de noodzaak om de gewekte indruk van belangenverstrengeling weg te nemen. Deze motivering is glashelder en behoefde geen nadere uitwerking. 2.11 Subonderdeel 1.2 stelt dat de Ondernemingskamer van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, althans haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, door op voormelde gronden te beslissen dat […]”
r.o. 2.10