Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 14 maart 2003
Vermogen c.v. met één beherend vennoot: vordering na ontbinding uit eigen hoofde?
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een besloten vennootschap die beherend vennoot was van een inmiddels ontbonden commanditaire vennootschap vordert uit eigen hoofde een contractuele boete. De A-G concludeert dat een beherend vennoot een vennootschapsvordering na ontbinding alleen uit eigen hoofde kan instellen als er geen goederengemeenschap tussen de vennoten was of als de vordering in de vereffening aan hem is geleverd. Hij pleit ervoor de oudere rechtspraak over het vermogen van een c.v. met één beherend vennoot door te ontwikkelen en concludeert tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“De door het onderdeel aan de orde gestelde rechtsvraag is in de kern of de enig beherend vennoot van een commanditaire vennootschap steeds gerechtigd is een tot het vennootschapsvermogen behorende vordering uit eigen hoofde in te stellen na 'opheffing' van die vennootschap. Dit is een langlopend strijdpunt in de literatuur, dat mede draait om de uitleg van een drietal arresten van de Hoge Raad. In het Erik Schaaper-arrest(19) overwoog het College: "dat toch uit geen enkele der op de commanditaire vennootschap betrekking hebbende bepalingen van het W.v.K. is op te maken, dat (...) de wetgever heeft gewild, dat bij het aangaan ener commanditaire vennootschap, als hier aanwezig, met werking tegen derden een vermogen, afgescheiden van het niet in de zaak gestoken vermogen van den beherenden vennoot, in het leven zou kunnen worden geroepen en het beschikkingsrecht van dien vennoot daarover zou kunnen worden beperkt, zulks in afwijking van de beginselen, welke onder meer aan de artt. 1177 en 1376 B.W. ten grondslag liggen. (...) dat ook deze wet [Handelsregisterswet] - in aansluiting aan het stelsel dienaangaande van het W.v.K. - slechts den beheerenden vennoot als den eigenaar der zaak beschouwt, daar immers anders ook de namen der vennooten en commandite als medeëigenaren der zaak zouden moeten worden worden ingeschreven, hetgeen (....) juist niet gewild is." In een latere uitspraak(20) overwoog de Hoge Raad onder meer: "Dat in de zaken van een commanditaire vennootschap met één […]”
r.o. 2.15
“Weliswaar heeft [verweerster] gesteld dat zij 'rechtsopvolgster' is van de c.v., maar daaraan heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk een louter feitelijke betekenis toegekend. Naar valt aan te nemen is zijn beslissing een toepassing van de boven geciteerde jurisprudentie: het vermogen van de c.v. met één beherend vennoot valt samen met het vermogen van die beherend vennoot zelf, zodat deze de tot het 'vennootschapsvermogen' behorende vorderingen zonder meer mag instellen. De ontbinding van de c.v. doet daaraan niet toe of af. Daarom spitst de beoordeling van het onderdeel zich toe op de vraag of de geciteerde rechtspraak, althans deze uitleg daarvan, nog steeds 'staat'. 2.17 Meer recente rechtspraak van de Hoge Raad laat een evolutie zien, waarschijnlijk onder invloed van de - na te noemen - literatuur. In de zaak 'Erven De Rooy'(22) aanvaardde het College de geldigheid van een verblijvensbeding, inhoudende dat in geval van overlijden van de commanditaire vennote, de activa van de vennootschap verblijven aan de enig beherend vennoot. Zoals o.a. door Maeijer is opgemerkt(23) veronderstelt dit dat die activa deel uitmaken van een gemeenschap die bestaat tussen de commanditaire en de beherend vennoot. Voorts liet de Hoge Raad tien jaar geleden(24) uitdrukkelijk in het midden of de wet aan een commanditaire vennootschap met slechts één beherend vennoot een afgescheiden vermogen toekent. Hij oordeelde dat ook bij het ontbreken van een afgescheiden vermogen, zo'n […]”
r.o. 2.16
“Uiteraard kan nu nog niet worden voorzien welke ontvangst het ontwerp ten deel zal vallen. Maar voor de bespreking van onderdeel 2 is het voldoende om te signaleren dat het ontwerp de deur wijd openzet voor het bestaan van een goederenrechtelijke gemeenschap tussen de vennoten in een c.v. met één beherend vennoot en voorts dat het ontwerp, in het geval van ontbinding van die vennootschap/niet-rechtspersoon, levering eist voor de overgang van een vordering die aanvankelijk tot de vennootschappelijke goederengemeenschap behoorde, zowel in het geval de vennootschap bij uittreden van één of meer vennoten door de overige vennoten wordt voortgezet, als in het geval zij algeheel wordt vereffend. Deze dwingendrechtelijke eis strookt met art. 3:186 BW. Nu deze opzet van het ontwerp onmiskenbaar tegemoet komt aan de gefundeerde kritiek die in de literatuur is geleverd op oudere jurisprudentie van de Hoge Raad, op welke rechtspraak de Hoge Raad ook zelf al enigszins lijkt te zijn teruggekomen, is er mijns inziens voldoende aanleiding die jurisprudentie thans verder te ontwikkelen in de richting van het door het ontwerp voorgestelde stelsel. 2.24 Zoals gezegd onder 2.15 van deze conclusie is de door het onderdeel aan de orde gestelde rechtsvraag in de kern of de enige beherend vennoot van een commanditaire vennootschap steeds gerechtigd is een tot het vennootschapsvermogen behorende vordering uit eigen hoofde in te stellen na 'opheffing' van die vennootschap. Tegen de achtergrond van […]”
r.o. 2.23