Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 11 november 2005
Aandeelhoudersaansprakelijkheid jegens Ontvanger bij verkoop kasgeldvennootschap; toerekening kennis adviseurs
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
De Ontvanger stelt de voormalig enig aandeelhouder van een kasgeldvennootschap met vervangingsreserve aansprakelijk uit onrechtmatige daad voor onbetaalde vennootschapsbelasting nadat de koper de vennootschap had leeggehaald. De vraag is of de kennis van de adviseurs van de aandeelhouder aan hem moet worden toegerekend. De A-G acht dat niet aangewezen, omdat er geen interactie met de Belastingdienst was en de adviseurs hun kennis niet met hem deelden, en concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“De maatstaf van het arrest van 6 april 1979 is - ook in de opvatting van de Ontvanger - niet rechtstreeks van toepassing. De bedoelde maatstaf leent zich m.i. niet voor overeenkomstige toepassing op dit geval. Het probleem waarvoor de Hoge Raad zich in dat arrest gesteld zag, was dat volgens de zgn. orgaantheorie een rechtspersoon weliswaar drager van rechten en verplichtingen kan zijn, maar slechts kan handelen door middel van zijn organen. In de leer die met het arrest van 6 april 1979 is aanvaard staat de gedachte van eenheid van onderneming of organisatie centraal. Deze gedachte houdt kort gezegd in dat degenen die zich in het maatschappelijk verkeer als een eenheid presenteren hebben in te staan voor de daardoor bij anderen gewekte verwachtingen. Hoewel een toepassing van deze gedachte op natuurlijke personen in de vakliteratuur niet wordt uitgesloten16 - te denken valt aan de eigenaar van een eenmanszaak -, is de eenheid van de onderneming of organisatie slechts een bruikbare maatstaf wanneer het gaat om het handelen binnen een onderneming of binnen een organisatie. De relatie van een particuliere opdrachtgever tot zijn belastingconsulent valt buiten deze categorie: in het algemeen kan niet worden gezegd dat de particuliere cliënt en zijn belastingadviseur in het maatschappelijk verkeer worden ervaren als een eenheid van onderneming of organisatie. 2.10. Een ruime opvatting zou ook moeilijk verenigbaar zijn met de regeling van de kwalitatieve aansprakelijkheden in […]”
r.o. 2.9
“In de vakliteratuur wordt wel aangenomen dat de werkingssfeer van art. 3:66 lid 2 BW niet beperkt is tot de volmacht en dat dit artikellid ook kan worden toegepast op daarmee vergelijkbare gevallen19. Als voorbeelden zijn genoemd de lasthebber en de bemiddelaar (art. 7:414 resp. art. 7:425 BW). Toepassing buiten gevallen van vertegenwoordiging ligt m.i. niet voor de hand, omdat de regeling in het tweede lid van art. 3:66 BW aansluit op, en haar rechtvaardiging nu juist ontleent aan de situatie bedoeld in het eerste lid van dat artikel, te weten het geval dat een rechtshandeling tot stand is gebracht door toedoen van een middellijk vertegenwoordiger. Daarbij komt dat het perspectief van de wederpartij, die met de vertegenwoordiger heeft onderhandeld, en de daaruit voortvloeiende verwachtingen van de wederpartij doorgaans bepalend zijn bij de beantwoording van de vraag wie van beiden het grootste aandeel in de totstandkoming heeft gehad: de gevolmachtigde of de volmachtgever20. In de onderhavige zaak is er geen relevante interactie geweest tussen [verweerder] en zijn adviseur(s) enerzijds en de Ontvanger anderzijds. 2.15. De Ontvanger betoogt dat de leer van het grootste aandeel, als bedoeld in art. 3:66 lid 2 BW, ook kan worden toegepast buiten vertegenwoordigingssituaties indien daarbij belangen van derden, waaronder een algemeen belang zoals dat van de invordering van belastingen, betrokken zijn21. De Ontvanger verwijst naar publicaties van Tjittes, die heeft onderzocht of […]”
r.o. 2.14
“De beschouwingen van Tjittes bieden naar mijn mening onvoldoende steun voor het standpunt van de Ontvanger. In die beschouwingen gaat het om de toerekening van kennis van externe deskundigen die in de uitoefening van een beroep of bedrijf worden ingeschakeld. Tjittes betoogt juist dat wanneer het gaat om een particuliere opdrachtgever, de drie bovengenoemde gronden voor toerekening van kennis niet of nauwelijks een rol spelen. Daarnaast blijkt ook in Tjittes' beschouwingen het belang van de omstandigheid dat de opdrachtgever en de ingeschakelde expert/adviseur bij anderen de indruk wekken dat de opdrachtgever wel door zijn expert/adviseur zal zijn geïnformeerd. In het maatschappelijk verkeer mag met die indruk rekening worden gehouden. In het onderhavige geval heeft, zoals gezegd, voorafgaand aan of bij de vervreemding van de aandelen geen relevante interactie plaatsgevonden tussen [verweerder] en zijn adviseur(s) en anderzijds de Belastingdienst. De Belastingdienst was niet bij de vervreemding betrokken. De tegenwerping van de Ontvanger, dat de leer van het grootste aandeel ook los kan worden gedacht van het bij een ander gewekte vertrouwen, verdient geen steun. Wanneer een opdrachtgever, gesteund door een adviseur of externe deskundige in contact treedt met enige wederpartij, kan hij zelf ook wel begrijpen dat de verwachtingen van die wederpartij ten aanzien van de kennis die bij hem bekend mag worden verondersteld, mede worden beïnvloed door de omstandigheid dat hij door […]”
r.o. 2.16