← Week 46

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 18 november 2005

Enquêterecht bij vermogensrechtelijk geschil over conversie van preferente aandelen Unilever

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In deze conclusie bespreekt de A-G de reikwijdte van het enquêterecht in een zaak waarin preferente aandeelhouders van een beursgenoteerde vennootschap een enquête verzochten naar aanleiding van een voorgenomen conversie van hun aandelen. De A-G meent dat een vermogensrechtelijk geschil een enquête niet uitsluit, mits het verzoek kan bijdragen aan de redelijkheid en billijkheid binnen de rechtspersoon (artikel 2:8 BW). Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Ik meen dat het bezwaar dat de enquêteprocedure al te onbegrensd wordt toegepast ondervangen dient te worden doordat bij de beoordeling van een verzoek tot enquête nagegaan dient te worden of het onderzoek kan bijdragen aan het in acht nemen van de redelijkheid en billijkheid van art. 2: 8 BW door degenen die krachtens wet en statuten bij zijn organisatie zijn betrokken. De Hoge Raad heeft in de Zwagerman II-beschikking al een aanzet gegeven om het gebruik van het enquêterecht te plaatsen in het kader van art. 2: 8 BW.(29) Voor deze benadering pleit dat art. 2: 8 BW de grondnorm van het rechtspersonenrecht is. Het enquêterecht dient ertoe de naleving van deze grondnorm te helpen bevorderen. De elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap zijn daarbij te beschouwen als concretiseringen van de algemene norm van de redelijkheid en billijkheid van art. 2: 8 BW.(30) Ook de drie doelstellingen, zoals geformuleerd in de Ogem-beschikking, kunnen als een ontleding en uitwerking van de beginselen van de redelijkheid en billijkheid worden beschouwd. Zo brengt de redelijkheid en billijkheid binnen een rechtspersoon mee dat jegens de bij de organisatie van de rechtspersoon betrokkenen verantwoording wordt afgelegd voor de gang van zaken in de rechtspersoon. Het gevolg van deze benadering is dat in geval het verzoek tot een enquête niet kan bijdragen tot het bevorderen van de redelijkheid en billijkheid binnen een rechtspersoon en er bij voorbeeld alleen toe dient de naleving […]”

r.o. 4.15

“Het eerste onderdeel mist feitelijke grondslag. Het berust op een onjuiste lezing van de beschikking van de Ondernemingskamer. Rov. 3.3 en 3.4 zien op het verweer van Unilever dat de preferente aandeelhouders niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun verzoek, nu sprake is van een vermogensrechtelijk conflict dat nimmer aanleiding kan zijn tot gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. In rov. 3.4 geeft de Ondernemingskamer aan dat de preferente aandeelhouders in hun verzoek kunnen worden ontvangen aangezien het hier weliswaar een vermogensrechtelijk conflict betreft maar dat dit in dit geval ook de positie van de vennootschap en het functioneren van haar organen raakt. Deze overweging betreft de vraag of de preferente aandeelhouders ontvankelijk zijn in hun verzoek. Dat is een mijns inziens begrijpelijke overweging. Zo kan het functioneren van de vennootschap en haar organen heel wel voorwerp van onderzoek in een enquêteprocedure zijn. Anders dan het onderdeel betoogt, valt uit deze overweging geen rechtsopvatting van de Ondernemingskamer af te leiden over de vraag wanneer een verzoek tot enquête toewijsbaar is.(34) 5.5 Het tweede onderdeel bevat een rechtsklacht en een uit drie subonderdelen bestaande motiveringsklacht. 5.6 De rechtsklacht richt zich tegen rov. 3.4 en voert - in de kern - het volgende aan: "De Ondernemingskamer overweegt in rov. 3.4 daarentegen ten onrechte dat in een geval als het onderhavige, waarin het vermogensrechtelijke conflict […]”

r.o. 5.4

“Ik acht in beginsel niet-ontvankelijkheid gerechtvaardigd als het geschil waarop het enquêteverzoek betrekking heeft niets of heel weinig te maken heeft met de binnen de rechtspersoon geldende redelijkheid en billijkheid van art. 2: 8 BW. Door te overwegen dat onderhavig verzoek weliswaar een vermogensrechtelijk geschil betreft dat ook de positie van de vennootschap en het functioneren van haar organen raakt, heeft de Ondernemingkamer in voldoende mate inzichtelijk gemaakt waarom in onderhavig geval het verzoek betrekking heeft op de redelijkheid en billijkheid die uit art. 2: 8 BW voortvloeit. Ik zie dan ook voor de Ondernemingskamer geen reden om te moeten oordelen dat het enquêteverzoek niet ontvankelijk verklaard dient te worden. 5.9 Zou de Ondernemingskamer na inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot de conclusie zijn gekomen dat er onvoldoende aannemelijk is geworden dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, dan kan dit alleen leiden tot afwijzing van het verzoek. Voor zover het onderdeel niet opkomt tegen de verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer maar opkomt tegen de toewijzing van het verzoek tot enquête miskent het middel dat rov. 3.4 daar niet op ziet. 5.10 Subsidiair bevat het tweede onderdeel een drietal motiveringsklachten die alle stranden nu zij uitgaan van de onjuiste rechtsopvatting dat voor ontvankelijkheid van het enquêteverzoek vereist is dat moet blijken van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid. Nu […]”

r.o. 5.8

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2005:AU2465
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
18 november 2005
Datum publicatie
18 november 2005
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:345 BW, 2:349 BW, 2:350 BW, 2:354 BW, 2:356 BW, 2:8 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 46 van 2005

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.